ECLI:NL:RBZWB:2024:8160

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
29 november 2024
Publicatiedatum
29 november 2024
Zaaknummer
BRE 23/3058
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6 AwbArt. 8:54 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond tegen niet-ontvankelijkverklaring bezwaar invorderingsrente gemeentelijke belastingen

Belanghebbende maakte bezwaar tegen de in rekening gebrachte invorderingsrente over gemeentelijke en waterschapsbelastingen 2022. De invorderingsambtenaar verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens een vermeend ontoereikende machtiging.

De rechtbank oordeelde dat de machtiging wel toereikend was en dat het bezwaar onterecht niet-ontvankelijk was verklaard. Hierdoor werd het beroep van belanghebbende gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd.

De rechtbank veroordeelde de invorderingsambtenaar tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan belanghebbende. Een verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen omdat de termijn nog niet was overschreden.

De invorderingsambtenaar moet een nieuwe uitspraak op bezwaar nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/3058

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 november 2024 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels ),
en
de invorderingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant, de invorderingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de invorderingsambtenaar van 10 mei 2023. Het beroep ziet op de in rekening gebrachte invorderingsrente betreffende de aanslag gemeentelijke- en/of waterschapsbelastingen over het jaar 2022 met [aanslagnummer] .
1.1.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat niet tijdig een toereikende machtiging is ingediend. De rechtbank komt tot het oordeel dat het bezwaar door de heffingsambtenaar onterecht niet-ontvankelijk verklaard. Daarom is het beroep kennelijk gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3. De invorderingsambtenaar stelt dat de machtiging die is overgelegd niet voldoende toereikend is, omdat uit de titel van de machtiging niet blijkt dat gemachtigde gevolmachtigd is om namens belanghebbende bezwaar te mogen maken tegen een rentebeschikking. Volgens de invorderingsambtenaar blijkt dit ook niet uit de rest van de machtiging.
4. De rechtbank is van oordeel dat niet gezegd kan worden dat de machtiging niet toereikend is en er sprake is van een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 van Pro de Awb. In de machtiging is onder andere het volgende opgenomen: “
Volmacht Inzake WOZ/OZB/Waterschapslasten/Zuiveringsheffing/ [C.A.] ”en “
[B.V.] wordt uitdrukkelijk gemachtigd om (…) het instellen van bezwaar, (hoger) beroep (…) alsmede het “terugvragen” van bij nader inzien ten onrechte (teveel) betaalde WOZ/OZB en andere lokale belastingen/heffingen en verder alles wat in dat kader volgens hem/haar gewenst of noodzakelijk is.”Naar het oordeel van de rechtbank strekt de machtiging zich ook tot het indienen van bezwaar en beroep met betrekking tot de in rekening gebrachte invorderingsrente bij de aanslag gemeentelijke- en/of waterschapsbelastingen. De rechtbank ziet dus geen aanleiding om te twijfelen aan de rechtsgeldigheid van de machtiging.

Conclusie en gevolgen

5. Het bezwaar is daarom onterecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is daarom gegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit niet in stand blijft.
6. Omdat het beroep gegrond is, moet de invorderingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden. Ook krijgt belanghebbende een vergoeding van haar proceskosten in beroep. De rechtbank stelt de te vergoeden kosten voor juridische bijstand in de beroepsfase vast op € 437,50. Dit bedrag is gebaseerd op toepassing van het tarief dat is vermeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank heeft een wegingsfactor 0,5 gehanteerd omdat het gaat om een kennelijk gegrond beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar. Voor een vergoeding van kosten voor bezwaar is in dit stadium van de procedure geen plaats, omdat teruggewezen wordt en de bezwaarprocedure nog niet is afgerond.
Immateriële schadevergoeding
7. Gemachtigde heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade als gevolg van het overschrijden van de redelijke termijn. Omdat de redelijke behandeltermijn in eerste aanleg nog niet is overschreden, wijst de rechtbank dit verzoek af.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- draagt de invorderingsambtenaar op een nieuwe uitspraak op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de invorderingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 437,50;
- wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af;
- gelast dat de invorderingsambtenaar het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 365,- aan deze vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van N. Plasman, griffier, op 29 november 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.