Op 9 augustus 2024 heeft verdachte in de nacht het slachtoffer in haar woning gedwongen tot afgifte van 30 euro door met een hamer een ruit in te slaan, met gezichtsbedekking de woning te betreden en dreigend geweld te gebruiken. De rechtbank achtte dit wettig en overtuigend bewezen en sprak verdachte vrij van overige tenlasteleggingen.
De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, de aanwezigheid van kinderen in de woning en het gebruik van een klauwhamer als strafverzwarende omstandigheden. Verdachte had een strafblad en verkeerde in een proeftijd, wat meewoog in strafverzwarende zin. Het reclasseringsrapport toonde instabiliteit en een hoog recidiverisico.
De rechtbank legde een gevangenisstraf van 42 maanden op, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar en bijzondere voorwaarden zoals meldplicht, behandelverplichting en contactverbod. Tevens werd de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere taakstraf toegewezen.
De benadeelde partij kreeg een schadevergoeding van €3209,98 toegewezen voor materiële en immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente en met oplegging van een schadevergoedingsmaatregel. Bij niet-betaling kan gijzeling worden toegepast.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda op 22 november 2024.