ECLI:NL:RBZWB:2024:7941

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
20 november 2024
Publicatiedatum
20 november 2024
Zaaknummer
24/283
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:5 AwbArt. 7:1 AwbInvorderingswet 1990
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verklaart zich onbevoegd in geschil over verrekening BPM-teruggave

Belanghebbende ontving een mededeling tot teruggaaf van BPM ter waarde van €205, welke door de ontvanger werd verrekend met een naheffingsaanslag BPM. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze verrekening, maar de ontvanger verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat de kennisgeving niet als een voor bezwaar vatbare beschikking geldt.

De rechtbank stelt vast dat de belastingrechter niet bevoegd is om te oordelen over verrekeningen van bedragen door de ontvanger op grond van de Invorderingswet. Dit soort besluiten valt niet onder de uitzonderingen waarbij de belastingrechter wel bevoegd is. Hierdoor is ook bezwaar maken niet mogelijk.

Belanghebbende stelde dat het ontbreken van bestuursrechterlijke toetsing in strijd is met het Unierecht, maar de rechtbank verwierp dit omdat belanghebbende het geschil aan de burgerlijke rechter kan voorleggen. De rechtbank verklaarde zich daarom onbevoegd en gaf geen inhoudelijk oordeel. Belanghebbende krijgt geen griffierecht, proceskosten of rentevergoeding terug.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd en wijst belanghebbende toe het geschil aan de burgerlijke rechter voor te leggen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 24/283

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 november 2024 in de zaak tussen

[belanghebbende] BV, uit [plaats], belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde]),
en

de ontvanger van de belastingdienst, de ontvanger.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de ontvanger van 16 november 2023.
1.1.
Omdat de belastingrechter kennelijk onbevoegd is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Belanghebbende heeft een mededeling teruggaaf Belasting personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) ontvangen op grond waarvan zij recht heeft op een teruggaaf van € 205. De ontvanger heeft de teruggave verrekend met een naheffingsaanslag BPM en belanghebbende hierover geïnformeerd in een brief van 7 februari 2023 (de kennisgeving). Belanghebbende heeft tegen de verrekening bij brief van 9 februari 2023 bezwaar gemaakt.
2.1.
Met dagtekening 16 november 2023 heeft de ontvanger het bezwaar tegen de kennisgeving niet-ontvankelijk verklaard, omdat een dergelijke kennisgeving niet een voor bezwaar vatbare beschikking is. De ontvanger heeft in de beroepsfase besloten om de verrekening ambtshalve ongedaan te maken.
2.2.
De belastingrechter is als uitgangspunt niet bevoegd te oordelen over beslissingen van de ontvanger op grond van de IW. [1] Voor bepaalde besluiten is in de regelgeving een uitzondering gemaakt. De beslissing tot verrekening van bedragen valt niet onder een van de uitzonderingen. Omdat geen beroep bij de belastingrechter kan worden ingesteld, is het evenmin mogelijk bezwaar te maken. [2] Een geschil over verrekening van bedragen kan worden voorgelegd aan de burgerlijke rechter.
2.3.
De rechtbank verwerpt verder de stelling van belanghebbende dat het gegeven dat niet alle geschillen met een bestuursorgaan kunnen worden voorgelegd aan de bestuursrechter in strijd is met het Unierecht. Immers, belanghebbende heeft een mogelijkheid om zijn geschil voor te leggen aan een rechter, ook al zijn de vereisten niet gelijk. De rechtbank komt dan ook niet toe aan de beantwoording van de vraag of het Unierecht zich tegen de verrekening en de daarbij geldende rechtsbescherming verzet.
2.4.
Gelet op het vorenstaande verklaart de rechtbank zich onbevoegd. Dit betekent dat de rechtbank geen inhoudelijk oordeel geeft in deze zaak. Belanghebbende krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten of een rentevergoeding.

Beslissing

De rechtbank verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van D. Weijtens, griffier, op 20 november 2024 en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:5 van Pro de Awb en artikel 1 van Pro de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak die behoort bij de Awb. In dat artikel 1 wordt Pro de Invorderingswet 1990 genoemd.
2.Of bezwaar kan worden gemaakt, is namelijk ervan afhankelijk of beroep kan worden ingesteld (artikel 7:1 van Pro de Awb).