Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een boete opgelegd voor het parkeren op een parkeerplaats voor vergunninghouders zonder de vereiste vergunning. De boete werd opgelegd voor een overtreding op 14 oktober 2022 op de Van Goorstraat te Breda. Betrokkene stelde beroep in tegen de boete, waarbij werd aangevoerd dat de bebording onvoldoende duidelijk was en dat betrokkene niet kon weten dat een vergunning vereist was.
De officier van justitie verklaarde het eerste beroep ongegrond, waarna betrokkene beroep instelde bij de kantonrechter. Tijdens de zitting op 11 oktober 2024 verschenen betrokkene en zijn gemachtigde niet. De gemachtigde had aangevoerd dat de afstand tot het E9-bord groot was en dat de borden bij de straatingang niet wezen op een vergunninghouderszone, waardoor de situatie onduidelijk was.
De kantonrechter oordeelde dat niet is komen vast te staan dat de gedraging heeft plaatsgevonden omdat de bebording onduidelijk was. Hierdoor was de boete onterecht opgelegd. De beslissing van de officier van justitie en de boetebeschikking werden vernietigd. Tevens werd betrokkene het betaalde bedrag terugbetaald en werd een proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen de verkeersboete wordt gegrond verklaard en de boete wordt vernietigd vanwege onduidelijke bebording.