ECLI:NL:RBZWB:2024:7836

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
8 november 2024
Publicatiedatum
15 november 2024
Zaaknummer
BRE 23/11427
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:5 AwbArt. 1 Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraakArt. 7:1 AwbInvorderingswet 1990
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verklaart zich onbevoegd inzake geschil over verrekening BPM-teruggave

Belanghebbende heeft een teruggaaf BPM ontvangen die door de ontvanger is verrekend met een naheffingsaanslag en invorderingsrente. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze verrekening, maar de ontvanger verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat de verrekening geen voor bezwaar vatbare beschikking betreft.

De ontvanger heeft de verrekening ambtshalve teruggedraaid, omdat het bezwaar tegen de naheffingsaanslag vóór de verrekening was ingediend, en uitstel van betaling had moeten worden verleend.

De rechtbank stelt vast dat zij niet bevoegd is om te oordelen over geschillen omtrent verrekening van bedragen op grond van de Invorderingswet, omdat hiervoor geen uitzondering op de belastingrechterlijke exclusiviteit geldt. Belanghebbende kan dit geschil voorleggen aan de burgerlijke rechter.

De rechtbank verwerpt het beroep van belanghebbende dat het ontbreken van bestuursrechtelijke rechtsbescherming in strijd is met het Unierecht, omdat er een rechterlijke mogelijkheid bestaat, ook al verschillen de vereisten.

De rechtbank verklaart zich daarom onbevoegd en geeft geen inhoudelijk oordeel, waarbij belanghebbende het griffierecht niet terugkrijgt en geen proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd om te oordelen over het geschil over verrekening en verwijst naar de burgerlijke rechter.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/11427

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 november 2024 in de zaak tussen

[belanghebbende] BV, gevestigd te [plaats], belanghebbende

(gemachtigde: [naam]),
en

de ontvanger van de belastingdienst, de ontvanger.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de ontvanger van 2 november 2023.
1.1.
Omdat de belastingrechter kennelijk onbevoegd is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Belanghebbende heeft een mededeling teruggaaf Belasting personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) ontvangen op grond waarvan zij recht heeft op een teruggaaf van € 8.787. De ontvanger heeft de teruggave verrekend met een naheffingsaanslag BPM van belanghebbende, alsmede met een bedrag van € 9 aan invorderingsrente in verband met de openstaande belastingschuld betreffende die naheffingsaanslag. Belanghebbende heeft tegen de verrekening bij brief van 9 februari 2023 bezwaar gemaakt.
2.1.
Met dagtekening 2 november 2023 heeft de ontvanger het bezwaar tegen de kennisgeving niet-ontvankelijk verklaard, omdat een dergelijke kennisgeving niet een voor bezwaar vatbare beschikking is.
2.2.
In het verweerschrift van 5 juni 2024 schrijft de ontvanger dat de verrekening ambtshalve is teruggedraaid. Omdat het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag BPM was ontvangen vóór de verrekening had de ontvanger uitstel van betaling moeten verlenen ten aanzien van die naheffingsaanslag.
2.3.
De belastingrechter is als uitgangspunt niet bevoegd te oordelen over beslissingen van de ontvanger op grond van de IW. [1] Voor bepaalde besluiten is in de regelgeving een uitzondering gemaakt. De beslissing tot verrekening van bedragen valt niet onder een van de uitzonderingen. Omdat geen beroep bij de belastingrechter kan worden ingesteld, is het evenmin mogelijk bezwaar te maken. [2] Een geschil over verrekening van bedragen kan worden voorgelegd aan de burgerlijke rechter.
2.4.
De rechtbank verwerpt verder de stelling van belanghebbende dat het gegeven dat niet alle geschillen met een bestuursorgaan kunnen worden voorgelegd aan de bestuursrechter in strijd is met het Unierecht. Immers, belanghebbende heeft een mogelijkheid om zijn geschil voor te leggen aan een rechter, ook al zijn de vereisten niet gelijk. De rechtbank komt dan ook niet toe aan de beantwoording van de vraag of het Unierecht zich tegen de verrekening en de daarbij geldende rechtsbescherming verzet.
2.5.
Gelet op het vorenstaande verklaart de rechtbank zich onbevoegd. Dit betekent dat de rechtbank geen inhoudelijk oordeel geeft in deze zaak. Belanghebbende krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten of een rentevergoeding.

Beslissing

De rechtbank verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van I. Ben Avi, griffier, op 8 november 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 8:5 van Pro de Awb en artikel 1 van Pro de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak die behoort bij de Awb. In dat artikel 1 wordt Pro de Invorderingswet 1990 genoemd.
2.Of bezwaar kan worden gemaakt, is namelijk ervan afhankelijk of beroep kan worden ingesteld (artikel 7:1 van Pro de Awb).