Uitspraak
1.[de V.O.F.] ,
[verweerder sub 2],
[verweerder sub 3],
1.De procedure
2.De feiten
3.Het verzoek en het verweer
4.De beoordeling
i)dat [de werknemer] zaterdagavond 22 juni 2024, de dag van het gestelde ontslag, een ‘ontslagbrief’ bij [de werknemer] heeft opgevraagd en
ii)het Whatsapp-bericht van maandag 24 juni 2024 van [de werknemer] aan [verweerder sub 2] dat hij ‘het niet eens is met het ontslag’ en waarin hij zich ziek meldt. Maar deze aanwijzingen zijn zowel afzonderlijk als gezamenlijk onvoldoende om daaruit een gegeven ontslag op staande voet te kunnen afleiden. Beide omstandigheden zijn afkomstig van de zijde van [de werknemer] en kunnen daarmee niet - zonder andere aanwijzingen die ontbreken - als bewijs dienen voor een al dan niet gegeven ontslag door [verweerders] Al met al is gelet op de standpunten van partijen in deze procedure en het dossier dat daaraan ten grondslag ligt niet gebleken dat [verweerders] de wil had om [de werknemer] op staande voet te ontslaan althans dat [de werknemer] gerechtvaardigd op het aanwezig zijn van die wil mocht vertrouwen. Nu niet kan worden vastgesteld dát ontslag op staande voet is gegeven, kan er ook geen sprake zijn geweest van een niet rechtsgeldig gegeven ontslag dat in aanmerking zou komen voor vernietiging. De verzoeken van [de werknemer] onder I. en II. zijn dan ook niet toewijsbaar.