ECLI:NL:RBZWB:2024:7826

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
15 november 2024
Publicatiedatum
15 november 2024
Zaaknummer
02-114793-24
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor de productie van amfetamine en voorbereidingshandelingen in een drugslaboratorium

Op 15 november 2024 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die in de periode van 11 oktober 2023 tot en met 30 november 2023 samen met anderen voorbereidingshandelingen heeft verricht voor de productie van amfetamine. De verdachte heeft een cruciale rol vervuld als coördinator in een professioneel drugslaboratorium dat op 30 november 2023 door de politie werd aangetroffen. De rechtbank oordeelde dat de verdachte opzettelijk amfetamine-olie heeft geproduceerd en voorbereidingshandelingen heeft verricht, en veroordeelde hem tot een gevangenisstraf van 54 maanden met aftrek van voorarrest. De rechtbank overwoog dat de verdachte een leidinggevende rol had en dat zijn handelen ernstige gevolgen heeft voor de samenleving en de gezondheid van gebruikers. De rechtbank nam ook de persoonlijke omstandigheden van de verdachte in overweging, maar oordeelde dat deze niet voldoende zwaarwegend waren om tot strafvermindering te leiden. De beslissing is gebaseerd op de artikelen 47 en 55 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02/114793-24
vonnis van de meervoudige kamer van 15 november 2024
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [land] te [datum] 1985
wonende te [woonadres]
thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te Dordrecht
raadsman mr. J.A. Schadd, advocaat te Arnhem

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zittingen van 15 en 16 oktober 2024, waarbij de officier van justitie, mr. P.W.P. Emmen, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Het onderzoek ter terechtzitting is op 15 november 2024 gesloten.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering en is als Bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
feit 1:samen met anderen een hoeveelheid amfetamine-olie heeft geproduceerd dan wel aanwezig heeft gehad;
feit 2:samen met anderen voorbereidingshandelingen heeft verricht gericht op de productie amfetamine.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het tezamen en in vereniging bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of het opzettelijk aanwezig hebben van een hoeveelheid amfetamine-olie, zoals is ten laste gelegd onder feit 1. Tevens kan in zijn visie wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van strafbare voorbereidingshandelingen, zoals opgenomen onder feit 2. Verdachte heeft daartoe een complete laboratoriumopstelling met de bijbehorende grondstoffen voorhanden gehad.
Voor het uitgebreide standpunt van de officier van justitie wordt verwezen naar het requisitoir op schrift dat als bijlage bij dit vonnis is gevoegd.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank primair verzocht haar beslissing van 15 oktober 2024 omtrent het verzoek tot het horen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] als getuigen te heroverwegen en dit verzoek alsnog te honoreren. Volgens de verdediging zijn dit belastende getuigen, zogenoemde ‘Keskin-getuigen’.
Subsidiair, indien deze twee getuigen niet gehoord mogen worden, is in optiek van de verdediging sprake van een onherstelbaar vormverzuim en dienen de ‘herkennings’processen-verbaal van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] te worden uitgesloten van het bewijs met het oog op het recht van verdachte op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM.
Meer subsidiair is verzocht verdachte van de ten laste gelegde feiten vrij te spreken.
Voor het uitgebreide standpunt van de verdediging wordt verwezen naar de schriftelijke pleitnotities die als bijlage bij dit vonnis zijn gevoegd.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Verzoek horen getuigen en het gebruik van processen-verbaal omtrent de herkenning van [verdachte] als bewijsmiddelen
De verdediging heeft op 18 juli 2024 ter zitting verzocht de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] van de politie Eenheid Oost-Nederland ( [plaats 2] ) te horen over de aan hen verstrekte aandachtsvestiging door de politie eenheid Zeeland-West-Brabant op basis waarvan zij [verdachte] hebben herkend. De verdediging wilde deze verbalisanten bevragen over de afbeeldingen die hen zijn getoond en de informatie die is gegeven over de persoon ten aanzien waarvan de herkenning is verzocht.
Als reactie hierop heeft de officier van justitie op zitting toegezegd dat hij een aanvullend proces-verbaal van bevindingen zou laten opmaken dat meer duidelijkheid over de gang van zaken moet verschaffen. Op grond van deze toezegging heeft de rechtbank het verzoek van de verdediging tot het horen van de verbalisanten afgewezen. Vervolgens heeft verbalisant [verbalisant 3] op 29 juli 2024 een proces-verbaal opgemaakt waarin is gerelateerd over de wijze waarop contact is gezocht met de politie eenheid Oost-Nederland en welke afbeeldingen er zijn verstrekt. Op 7 oktober 2024 heeft de verdediging haar verzoek tot het als getuigen horen van voornoemde verbalisanten schriftelijk herhaald. In opdracht van de officier van justitie is op 11 oktober 2024 door verbalisant [verbalisant 3] wederom een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt, waarin een nadere uitleg is gegeven. De verdediging heeft op 15 oktober 2024 ter zitting gepersisteerd bij haar verzoek tot het horen van de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] . Dit verzoek is door de rechtbank afgewezen. Bij pleidooi op de zitting van 16 oktober 2024 heeft de verdediging opnieuw verzocht de genoemde verbalisanten te horen.
De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. De rechtbank stelt vast dat het verzoek tot het horen van de verbalisanten in kwestie betrekking heeft op de rechtmatigheid van het voorbereidend onderzoek en niet op het horen van getuigen over de door hen afgelegde verklaringen/bevindingen zoals die door de rechtbank voor het bewijs van de ten laste gelegde feiten zouden kunnen worden gebruikt. De rechtbank is nog steeds van oordeel dat met de toegevoegde stukken voldoende duidelijkheid is verschaft over wat het proces, de routing is geweest, die uiteindelijk heeft geleid tot de totstandkoming van de processen-verbaal van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] . Ook is duidelijk geworden over welke berichtgeving, afbeeldingen en contextinformatie verbalisant [verbalisant 2] heeft beschikt en welke informatie [verbalisant 1] heeft gekregen. Daarmee is tegemoet gekomen aan de wens van de verdediging. Niet is gebleken dat sprake was van meer of andere thans nog beschikbare informatie dan de informatie in het dossier. In zoverre ziet de rechtbank geen verdedigingsbelang.
Dat de verbalisanten zogenaamde Keskin-getuigen zijn, volgt de rechtbank niet. Zij hebben niet belastend over verdachte verklaard. Zij hebben op basis van de door hen beschikbare informatie geverbaliseerd over de onderzoekshandelingen naar aanleiding van een aandachtsvestiging/verzoek tot herkenning en hebben geen uitspraken gedaan over de eventuele betrokkenheid van verdachte bij de tenlastegelegde feiten. Bovendien heeft de verdediging niet aangegeven hen te willen horen omtrent de inhoud van de door hen opgestelde processen-verbaal, zodat het verzoek in zoverre dan ook onvoldoende is onderbouwd. Ten aanzien van het verzoek tot het horen van verbalisant [verbalisant 1] ziet de rechtbank het verdedigingsbelang ook niet, nu zij het proces-verbaal van herkenning van deze verbalisant niet voor het bewijs zal gebruiken.
Gelet op alle ontvangen informatie die voldoende helderheid geeft over de gevolgde communicatielijn, ziet de rechtbank geen aanleiding om verbalisant [verbalisant 2] alsnog te horen. Verdachte wordt daarmee niet in zijn verdedigingsbelang geschaad. Te meer, omdat het proces-verbaal van [verbalisant 2] voor wat betreft het bewijs in deze zaak niet van doorslaggevend belang is. Er is immers nog ander bewijs voorhanden.
Het verzoek om de verbalisanten te horen, wordt daarom afgewezen. Anders dan de raadsman, is de rechtbank gelet op het voorgaande dan ook van oordeel dat het niet horen van de verbalisanten geen onherstelbaar vormverzuim oplevert. Het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 2] wordt dan ook niet uitgesloten van het bewijs.
Aantreffen drugslaboratorium en medeverdachten
Op grond van de opgenomen bewijsmiddelen kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat op 30 november 2023 door de politie in een loods bij een woning aan [adres] een professioneel en in werking zijnd drugslaboratorium is aangetroffen. Op het moment dat het politieteam haar aanwezigheid kenbaar maakte en aanstalten maakte om de loods aan de voorzijde te betreden, vluchtten drie mannen via een achterdeur van deze loods naar buiten. Vrijwel direct wist de politie deze mannen dan ook aan te houden. Dit bleken de verdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] te zijn. Vervolgens werd in de woning op voornoemd perceel verdachte [medeverdachte 4] aangehouden.
Naast dat er in het lab diverse apparaten, materialen en (grond)stoffen voor de vervaardiging van amfetamine aanwezig waren, zijn er aldaar mobiele telefoons aangetroffen die aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] zijn toe te schrijven. In de woning bevonden zich meerdere telefoons van [medeverdachte 4] .
Onderzoek naar de aangetroffen telefoons van de medeverdachten
Uit het digitale onderzoek van de politie naar de telefoons komt naar voren dat op 11 oktober 2023 een chat binnen een Signal App groep is gestart, welke chatgroep ‘ [chatgroep] ’ werd genoemd. Dit woord betekent in de Spaanse taal ‘ [woord] ’. De laatste berichten in deze chatgroep dateren van 30 november 2023, de dag van de instap door de politie. De personen met de bijnamen ‘ [bijnaam 1] ’, ‘ [bijnaam 2] ’, ‘ [bijnaam 3] ’, ‘ [bijnaam 4] ’ (met telefoonnummer [telefoonnummer 1] ) en ‘ [bijnaam 5] ' maakten deel uit van die chatgroep. Uit het dossier volgt dat achter de naam ‘ [bijnaam 1] ’ [medeverdachte 1] , en achter ‘ [bijnaam 6] ’ of ‘ [bijnaam 3] ’ [medeverdachte 3] schuil gaan. In de groepsapp is veelvuldig in de taal Papiamento gesproken over drugsgerelateerde zaken in relatie tot het bewuste lab in [plaats 3] . Tevens zijn er foto’s en filmpjes van het lab via de chatgroep uitgewisseld. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] hebben daarnaast ook met andere, onbekend gebleven personen gechat over hun werkzaamheden en verdiensten met betrekking tot het drugslab, waarbij ook foto’s en filmpjes zijn gedeeld. Zo is onder meer in apps door [medeverdachte 3] bericht dat hij ‘A-olie’ en drugs maakt en hebben [medeverdachte 1] en ‘ [bijnaam 2] ’ gesproken over het productieproces; over het vullen van de stomer, het gebruik van gas(flessen) en het regelen van de druk.
Op sommige beelden afkomstig van de telefoons van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] was te zien dat zij behoorlijke pakketten met bankbiljetten vasthielden.
In de berichten komt verder naar voren dat de productiesessies steeds ongeveer vijf/zes dagen duurden en dat het voornemen was om daarmee – blijkens een chatgesprek van [medeverdachte 3] – tot 20 december 2023 door te gaan.
In de Samsung S20 van verdachte [medeverdachte 4] stond telefoonnummer [telefoonnummer 2] opgeslagen onder de naam ‘ [naam 1] ’ en nummer [telefoonnummer 1] onder de naam ‘ .. [naam 2] ’. [medeverdachte 4] bleek met beide nummers te hebben gechat en gebeld. Met het eerste genoemde nummer tussen 13 oktober 2023 tot en met 21 november 2023 en met het tweede genoemde nummer van 21 november 2023 tot en met 30 november 2023, zeer kort voor de politie-inval. De chats werden bij beide nummers in de Engelse taal gevoerd en volgden elkaar op. De chat met telefoonnummer [telefoonnummer 1] begon met een bericht afkomstig van ‘.. [naam 2] ’, die zegt dat dit zijn nieuwe nummer is. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de gebruiker van de twee telefoonnummers één en dezelfde persoon is geweest.
Het nummer [telefoonnummer 1] kwam ook voor als contact in de Iphone 7 van medeverdachte [medeverdachte 3] en in de Iphone 13 van medevedachte [medeverdachte 1] en was opgeslagen onder de naam ‘ [bijnaam 4] ’. Het nummer [telefoonnummer 2] was in de telefoon van [medeverdachte 3] geregistreerd als ‘ [bijnaam 7] ’. Het was de politie in de chats voorts opgevallen dat genoemde ‘ [bijnaam 4] ’ ook de bijnaam ‘ [bijnaam 8] ’, ‘ [bijnaam 9] ’ en ‘ [bijnaam 7] ’ had en dat er onderling veel in het Papiamento werd gechat.
In dit verband heeft de rechtbank tevens de verklaring van getuige [getuige] , de ex-vriendin van [medeverdachte 3] , van 8 januari 2024 in aanmerking genomen die heeft aangegeven dat ‘ [bijnaam 8] ’ een vriend van [medeverdachte 3] is, in de 30 jaar (misschien 38 jaar) oud is en afkomstig is van de Nederlandse Antillen. Pas korte tijd, sinds oktober 2023 zou [medeverdachte 3] met deze ‘ [bijnaam 8] ’ omgaan. [medeverdachte 3] kende hem niet vanuit een reguliere baan. ‘ [bijnaam 8] ’ zou volgens [getuige] de leider van de groep zijn.
Omdat op de telefoons van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] foto’s en filmopnames stonden van personen die niet allemaal geïdentificeerd konden worden – zoals van een Antilliaans ogende man ‒ en de personen achter ‘ [bijnaam 4] ’ en ‘ [bijnaam 5] ’ (nog) niet achterhaald waren, werden screenshots ter herkenning gedeeld via het portal ‘ [portal] ’ van politie Nederland en per e-mail met de districtsrecherche [plaats 2] , omdat de niet-geïdentificeerde, Antilliaans uitziende man wellicht ‘ [bijnaam 7] ’ zou kunnen zijn. De personen op de afbeeldingen bevonden zich overigens in het bewuste drugslab in [plaats 3] , gezien onder andere de rode bank, een kleine witte tafel en een witte stoel, die ook in de fotomap van het LFO van het lab in [plaats 3] zijn terug te vinden. De afbeeldingen dateren van 10 en 28 november 2023.
Verdachte [verdachte] komt in het onderzoek naar voren
Verbalisant [verbalisant 2] , werkzaam bij de politie Oost-Nederland, heeft naar aanleiding van een mail met afbeeldingen afkomstig van de politie Zeeland-West-Brabant gerapporteerd. In de mail stond dat men in het onderzoek Shrike (drugslab in [plaats 3] ) op zoek was naar een Antilliaanse man, in de 30 jaar, die wellicht als leider kan worden beschouwd en mogelijk in [plaats 2] woont. Op de afbeeldingen was een Antilliaans ogende man te zien. [verbalisant 2] sloeg hierop aan en dacht aan een MMA-melding van 15 november 2022. In die melding was opgenomen dat een man van Antilliaanse afkomst, woonachtig in [plaats 2] zich bezig houdt met de productie van synthetische drugs en dat er eerder een drugslab in [plaats 2] onder zijn supervisie zou hebben gestaan. In die MMA-melding werd ook de naam [verdachte] genoemd. [verbalisant 2] heeft toen een recente foto van [verdachte] afkomstig van de RDW vergeleken met één van de screenshots uit het verzoek tot herkenning (dezelfde foto als op pagina 50 van het aanvullend proces-verbaal inzake [verdachte] ). Hij constateerde dat de man op het screenshot overeenkomt en gelijkenis vertoont met de recente foto van [verdachte] . Hij zag dat het ronde/ [bijnaam 6] gelaat, het dunne snorretje, de haardracht en de haarlijn nagenoeg identiek zijn aan elkaar op beide afbeeldingen.
Ook langs een tweede weg stuitte de politie op de naam [verdachte] . Verbalisant [verbalisant 4] heeft in het proces-verbaal van verdenking aangegeven dat zij in de politiesystemen een zoekslag heeft gemaakt op de (bij)naam ‘ [bijnaam 4] ’ en zich hierbij heeft geconcentreerd op resultaten uit de politieregio Oost-Nederland. Tussen de resultaten zag zij dat de bijnaam ‘ [bijnaam 10] ’ voorkwam als contact in een in beslag genomen Iphone in 2021 met daaraan gekoppeld de naam ‘ [naam 3] ’. Toen heeft zij gezocht op de naam ‘ [naam 3] ’ in combinatie met de plaats [plaats 2] en is zij uitgekomen bij de naam [verdachte] .
Ook heeft zij de screenshots van 10 en 28 november 2023 van “de onbekende Antilliaan” in het drugslab te [plaats 3] vergeleken met dezelfde rijbewijsfoto van [verdachte] (uit 2023) die [verbalisant 2] heeft gehanteerd. [verbalisant 4] spreekt van grote gelijkenissen tussen deze personen.
Verbalisant [verbalisant 5] heeft gezocht naar de naam ‘ [bijnaam 10] ’ in de politiesystemen. Deze naam bleek voor te komen in het onderzoek Smient van de eenheid Oost-Nederland. Een daarbij inbeslaggenomen iPhone is onderzocht met als doel de connectie te bekijken tussen contactpersoon ‘ [bijnaam 10] ’ in combinatie met ‘ [naam 3] ’. In de telefoon stond onder contactpersonen de naam ‘ [naam 3] ’ met het telefoonnummer [telefoonnummer 3] . Dit nummer is gebruikt in een app op die telefoon waarbij het de username ‘ [bijnaam 10] ’ had. Dit telefoonnummer komt voor in verschillende onderzoeken, waaronder een onderzoek naar een drugslab, waarin [verdachte] wordt aangemerkt als verdachte.
Bij de aanhouding van [verdachte] zijn in zijn slaapkamer twee mobiele telefoons aangetroffen, de voormelde Samsung Galaxy S23 Ultra en een Samsung Galaxy A14. Deze laatstgenoemde telefoon is onder zijn hoofdkussen gevonden. Hoewel op die telefoon geen gegevens zijn gevonden die rechtstreeks zijn te herleiden naar verdachte, zijn er wel aanknopingspunten die daar op wijzen. Zo is op dit toestel een screenshot van een Signal chat aangetroffen waarin de gebruikersnaam ‘ [gebruikersnaam] ’voorkomt . In de user accounts van deze telefoon was als gebruikersnaam ‘ [naam 1] .’ opgenomen, welke naam lijkt op of doet denken aan de namen ‘ [naam 1] ’ en ‘.. [naam 2] ’ die in de telefoon van [medeverdachte 4] als contactpersoon stonden. Op de Samsung Galaxy A14 was opvallend veel informatie aanwezig met betrekking tot (de productie van) harddrugs. [verdachte] heeft geen concrete en verifieerbare verklaring afgelegd over de herkomst van de telefoon en de daarop aangetroffen gegevens. Dat de telefoon aan iemand anders toebehoort en dat verdachte deze slechts in bewaring had, zoals verdachte heeft verklaard, acht de rechtbank niet geloofwaardig. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de Samsung Galaxy A14 door [verdachte] is gebruikt.
De Samsung Galaxy S23 Ultra is wel rechtstreeks aan [verdachte] te linken. Verdachte heeft ook zelf verklaard dat dit zijn telefoon was. Hierop staan meerdere user accounts met de naam [verdachte] , evenals onder meer selfies van [verdachte] , een foto van [medeverdachte 2] van 17 oktober 2023 en het telefoonnummer van [medeverdachte 1] . De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte zichzelf kennelijk (ook) [naam 3] in plaats van [verdachte] noemt. Opmerkelijk is ook dat verdachte het contact met [medeverdachte 1] heeft geblokkeerd op de dag dat de inval in het drugslab plaatsvond.
Tussenconclusie
Op grond van al het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat verdachte de gebruiker is geweest van de telefoonnummers [telefoonnummer 2] en [telefoonnummer 1] en daarmee tevens van de gebruikersnamen ‘ [naam 1] ’, ‘.. [naam 2] ’, ‘ [bijnaam 8] ’, ‘ [bijnaam 4] ’ en ‘ [bijnaam 7] ’. De telefoons hebben aangestraald op basisstations in de directe omgeving van het drugslab in de periode van 16 oktober en met 28 november 2023, zo ook op 10 en 28 november 2023. Van deze data zijn de screenshots beschikbaar van een Antilliaans ogende man in het lab.
Op grond van haar eigen waarneming ter zitting heeft de rechtbank verdachte [verdachte] herkend op het screenhot van 28 november 2023 (opgenomen op pagina 50 van het aanvullend proces-verbaal inzake [verdachte] en als bijlage bij het emailbericht van de officier van justitie van 11 oktober 2024 dat van een betere kwaliteit is).
Gelet hierop en gezien de bevindingen van verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 4] , lijdt het naar het oordeel van de rechtbank geen twijfel dat [verdachte] de Antilliaanse man op de screenshots van het drugslab is.
De betrokkenheid van [verdachte] bij het drugslab
Uit de inhoud van de beschikbare chats volgt dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en de personen die in het lab te [plaats 3] werkzaam waren, in elk geval [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . [verdachte] heeft daarbij een leidinggevende, aansturende rol gehad. Hij gaf opdrachten aan die productiemedewerkers en betaalde hen uit. Hij ging over de materialen en grondstoffen. Bovendien hield [verdachte] zich bezig met de verkoop van de precursoren of drugs die in het lab werden vervaardigd.
Zo plaatste [verdachte] op 30 november 2023 om 07.54 uur in de groepsapp het bericht: “Ouwe vertrekt zo meteen met gasflessen. Dus als jullie flessen hebben waar nog in zit dan kunnen jullie alvast beginnen. 10 uur is ie daar. Als jullie nu beginnen dan ben je om 4 uur klaar. En je moet niet wachten totdat het helder wordt. Ik regel het zelf als jullie klaar zijn.”
Korte tijd later, om 09.10 uur berichtte hij: “Hoop dat jullie lang zijn om alles voor me te tappen zodat ik alles vandaag kan verkopen zodat ik het gelijk met jullie kan afrekenen.”
Ook [medeverdachte 4] , de verhuurder van de loods, moest voor [verdachte] hand- en spandiensten verrichten. Op 22 en 23 november 2023 hadden zij contact over een vrachtwagen die [medeverdachte 4] met een heftruck moest uitladen en over 33 jerrycans van 20 liter die [medeverdachte 4] van [verdachte] ergens moest ophalen.
Verder kan worden vastgesteld dat [verdachte] meermalen in het lab is geweest en daar ook handelingen heeft verricht, mede gelet op het feit dat hij op de screenshots met werkhandschoenen staat afgebeeld.
Conclusie
Gelet op de bewijsmiddelen en de vorenstaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte samen met anderen een hoeveelheid amfetamine-olie heeft geproduceerd, zoals is ten laste gelegd onder feit 1, en samen met anderen voorbereidingshandelingen heeft verricht, gericht op de productie van amfetamine, zoals is ten laste gelegd onder feit 2.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
feit 1:in de periode van 11 oktober 2023 tot en met 30
november 2023 te [plaats 3] , gemeente Gilze en Rijen
tezamen en in vereniging met anderen
opzettelijk
heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt een hoeveelheid amfetamine-olie, zijnde amfetamine een middel als
bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
feit 2:in de periode van 11 oktober 2023 30 november 2023 te
[plaats 3] , gemeente Gilze en Rijen
tezamen en in vereniging met anderen
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de
Opiumwet,
voor te bereiden en te bevorderen,
te weten
- het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken en
- het opzettelijk vervaardigen
van hoeveelheden van een materiaal bevattende
amfetamine, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet
behorende lijst I,
- een in werking zijnde productieopstelling/laboratorium en alle
aanverwante goederen bedoeld voor de productie van BMK en/of
amfetamine en/of amfetamine-olie, en/of de daartoe benodigde
grondstoffen en chemicaliën;
voorhanden heeft gehad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf jaar met aftrek van voorarrest.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De door de officier van justitie gevorderde straf wordt door de verdediging te zwaar geacht. Verdachte moet namelijk als een first offender op het gebied van harddrugsfeiten worden beschouwd en hij heeft geen groter aandeel gehad dan zijn medeplegers. De verdediging heeft verzocht bij de strafmaat rekening te houden met de omstandigheid dat verdachte vanwege zijn detentie niet het afscheid of de begrafenis van zijn tante – die hem als kind heeft opgevoed ‒ mocht bijwonen.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft in de periode van 11 oktober 2023 tot en met 30 november 2023 samen met anderen voorbereidingshandelingen getroffen ten behoeve van de productie van amfetamine. Ook heeft hij samen met anderen opzettelijk amfetamine-olie geproduceerd. Om deze productie mogelijk te maken was in een loods aan [adres] een grootschalig en professioneel drugslaboratorium ingericht. Gezien de aangetroffen grondstoffen en afvalproducten zijn er grote hoeveelheden van de eindproducten geproduceerd en zouden deze ook nog kunnen worden geproduceerd.
De rechtbank acht de bewezenverklaarde feiten ernstig.
Verdachte heeft een cruciale rol vervuld als coördinator. Hij stuurde de medeverdachten aan die feitelijk werkzaam waren in het lab. Ook de verhuurder van de loods gaf hij verschillende opdrachten ten dienste van het lab. Hoewel hij regelmatig in het lab aanwezig is geweest, was hij niet degene die onder gevaarlijke omstandigheden en gedurende een langere tijd aaneengesloten moest werken. Daardoor liep hij ook het minste risico om gepakt te worden. Zijn aandeel weegt de rechtbank in strafverzwarende zin mee.
Verdachte heeft een bijdrage geleverd aan de productie en de daarop volgende handel van en in harddrugs, hetgeen vaak gepaard gaat met georganiseerde en ondermijnende criminaliteit. De ondermijnende criminaliteit vormt een groot gevaar voor de samenleving en de democratische rechtsstaat. Daarnaast leveren harddrugs voor de gebruikers aanzienlijke gezondheidsrisico’s op. De drugs kunnen hun leven gaan beheersen en er uiteindelijk toe leiden dat zij hun leven totaal vergooien. De samenleving ziet zich ook herhaaldelijk geconfronteerd met drugsverslaafden die op verschillende manieren overlast veroorzaken en vermogensdelicten plegen om hun verslaving te financieren.
Daarnaast vindt verontreiniging van het milieu op grote schaal plaats doordat chemisch afval afkomstig uit drugslaboratoria in de natuur wordt gedumpt.
Verdachte heeft onvoldoende stil gestaan bij al deze negatieve effecten voor de medemens en het milieu. Hij heeft kennelijk alleen als doel gehad om in een korte tijd veel geld te verdienen en luxe goederen aan te schaffen. Op zijn telefoon bevinden zich immers talloze foto’s van dure horloges, sieraden en auto’s.
De rechtbank weegt mee dat verdachte totaal geen openheid van zaken heeft gegeven en daarmee ook geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daden.
De rechtbank heeft acht geslagen op het uitgebreide strafblad van verdachte. Daarop zijn veroordelingen voor drugsdelicten vermeld uit 2017 en langer geleden. De rechtbank leidt hieruit af dat de eerder opgelegde straffen hem er kennelijk niet van hebben weerhouden zich opnieuw aan een dergelijke feiten schuldig te maken en zelfs de overstap te maken van softdrugs naar harddrugs.
Voorts heeft de rechtbank de persoonlijke omstandigheden van verdachte in aanmerking genomen, voor zover deze bij het onderzoek ter terechtzitting aan de orde zijn gekomen. Deze omstandigheden zijn voor de rechtbank niet dusdanig zwaarwegend, dat dit tot strafvermindering moet leiden. Daarvoor is het aan verdachte te maken verwijt te ernstig.
Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van eendaadse samenloop van de feiten, nu de bewezenverklaarde feiten samenhangend zijn en een min of meer op dezelfde tijd en plaats afspelend feitencomplex opleveren. Verdachte kan dan ook één verwijt worden gemaakt.
Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf een passende en noodzakelijke strafrechtelijke reactie is. Zij ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie. Met de op te leggen straf wordt beoogd een afschrikwekkend signaal af te geven, zodat verdachte en anderen worden ontmoedigd om zich (opnieuw) in te laten met drugsgerelateerde feiten en hiervan een verdienmodel willen maken. De rechtbank heeft voor de hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de LOVS-oriëntatiepunten voor straftoemeting straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd.
De rechtbank zal gelet daarop een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd.
De rechtbank zal verdachte veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van
54 maanden met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

7.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 47 en 55 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8.De beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
de eendaadse samenloop van
feit 1:medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van
de Opiumwet gegeven verbod en
feit 2:medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de
Opiumwet, voorbereiden en bevorderen door voorwerpen en stoffen voorhanden te
hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van 54 maanden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.G.F. Vliegenberg, voorzitter, mr. M.A.E. Dekker en
mr. M. van de Wetering, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.A.C.M. Roebroeks, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 15 november 2024.