Uitspraak
uitspraak van de meervoudige kamer van 15 november 2024 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,
de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur.
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Feiten
- mevrouw [de echtgenote] zou bij volle gezondheid een levensverwachting van 6,8 jaar hebben gehad. Op basis van de medische gegevens zoals gebleken uit de gezondheidsverklaring kom ik uit op een levensverwachting van 3,5-4 jaar.
- de heer [belanghebbende] zou bij volle gezondheid een levensverwachting van 4,9 jaar hebben gehad. Op basis van de medische gegevens zoals gebleken uit de gezondheidsverklaring kom ik uit op een levensverwachting van 2,5-3 jaar.
Motivering
- Ter zitting is komen vast te staan dat de gezondheidsverklaringen op basis waarvan de nieuwe berekeningen zijn gemaakt, opgesteld zijn door belanghebbende en de echtgenote en dus niet door een medicus. Dit doet af aan de mate van objectiviteit van de gezondheidsverklaringen. Daaraan doet niet af dat belanghebbende en zijn echtgenote zich bij het opstellen van de gezondheidsverklaringen hebben gebaseerd op hun gezondheidshistorie die zij hebben opgevraagd bij hun huisarts en het ziekenhuis;
- In de door de verzekeraar gemaakte berekening wordt uitgegaan van de sterftetafel 2023, terwijl bij de berekening van de waarde in het economische verkeer van de saldolijfrente per 31 december 2020 moet worden uitgegaan van de sterftetafel 2020;
- In de e-mail staan enkele feitelijke onjuistheden. Bij het onderdeel dat is genummerd 2 staat een leeftijdsverhoging van zeven jaar, terwijl dat vijf jaar moet zijn. Bij het onderdeel dat is genummerd 3 staat een leeftijdsverhoging van vijf jaar, terwijl dat zeven jaar moet zijn. Tot slot zijn de berekende waarden gebaseerd op de onderdelen 1 en 2 en de onderdelen 3 en 4, terwijl dit moet zijn de onderdelen 1 en 3 en de onderdelen 2 en 4;
- Belanghebbende heeft onvoldoende onderbouwd waarom volgens hem moet worden uitgegaan van de laagste van de twee genoemde waarden;
- De verzekeraar vermeldt uitdrukkelijk en terecht dat op de op een later moment lager berekende waarde niet voor dit eerdere jaar kan gelden als de gezondheidssituatie van belanghebbende en de echtgenote op 31 december 2020 (wezenlijk) anders was dan op het moment dat de nieuwe waarde is berekend (de gezondheidsverklaringen zijn in oktober 2023 aan de verzekeraar verstrekt). Belanghebbende heeft niets aangedragen over de vraag hoe feitelijk de gezondheidssituatie was op 31 december 2020 terwijl het belang daarvan vroegtijdig door de inspecteur aan belanghebbende en de gemachtigde is gemeld. Er zijn derhalve geen concrete aanwijzingen in het dossier dat de gerenseigneerde gegevens onjuistheden zouden bevatten.