Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Inleiding
2.Feiten
3.Beoordeling door de rechtbank
Heeft de heffingsambtenaar voldoende rekening gehouden met de verschillen tussen de woning en de referentiewoningen?
.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende is eigenaar van een vrijstaande woonboerderij met diverse bijgebouwen en een perceel van 6010 m2. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde per 1 januari 2022 vast op € 634.000, welke na bezwaar werd verlaagd naar € 567.000. Belanghebbende betwistte deze waarde en stelde een lagere waarde van € 503.000 voor.
De rechtbank beoordeelde de gebruikte vergelijkingsmethode en de referentiewoningen, die qua ligging, bouwjaar en oppervlakte voldoende vergelijkbaar bleken. De heffingsambtenaar had bovendien inzichtelijk gemaakt hoe rekening werd gehouden met verschillen, zoals ligging nabij een vliegbasis en voorzieningen, en voerde neerwaartse correcties door.
Belanghebbende voerde aan dat de waardestijging ten opzichte van het voorgaande jaar te hoog was en bracht een eigen taxatierapport in dat een lagere waarde aangaf. De rechtbank oordeelde echter dat de WOZ-waarde jaarlijks opnieuw wordt vastgesteld op basis van actuele verkoopcijfers en dat het eigen taxatierapport niet relevant was vanwege een andere waardepeildatum en ander doel.
De rechtbank concludeerde dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld en verklaarde het beroep ongegrond. De aanslag OZB blijft gehandhaafd en belanghebbende krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van € 567.000 wordt ongegrond verklaard en de aanslag OZB gehandhaafd.