Uitspraak
1.De procedure
- de mondelinge behandeling van 24 september 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
.De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De werknemer trad per 1 april 2022 in dienst bij de werkgever voor bepaalde tijd, welke stilzwijgend is verlengd. Na zes maanden arbeidsongeschiktheid vordert de werknemer betaling van het volledige loon en vakantiegeld, omdat de cao een loondoorbetaling van 90% voorschrijft, wat lager is dan het wettelijk minimumloon.
De werkgever verschijnt niet in de procedure, waardoor verstek wordt verleend. De kantonrechter beoordeelt de vorderingen op basis van de stellingen van de werknemer en concludeert dat zij recht heeft op loonbetaling gelijk aan het wettelijk minimumloon, conform cao-artikel 84 en Pro artikel 7:629 BW Pro.
De loonvordering wordt toegewezen tot een bedrag van € 1.422,72 bruto, vermeerderd met wettelijke rente en wettelijke verhoging. Ook wordt vakantiegeld en incassokosten toegewezen. De werkgever wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten en toekomstige loonbetalingen onder gelijktijdige verstrekking van loonstroken.
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.
Uitkomst: Werknemer krijgt loonbetaling toegekend gelijk aan het wettelijk minimumloon met wettelijke verhogingen en rente, vakantiegeld en incassokosten.