ECLI:NL:RBZWB:2024:6852
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen beëindiging Ziektewet-uitkering wegens arbeidsvermogen
Verzoeker, voormalig intercedent, viel op 24 augustus 2022 uit en ontving een Ziektewet-uitkering. Na een eerstejaarsbeoordeling stelde het UWV dat verzoeker in staat is passende arbeid te verrichten en beëindigde de uitkering per 9 juni 2024. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter beoordeelde het spoedeisend belang en stelde vast dat verzoeker dit aannemelijk had gemaakt. Medisch onderzoek toonde pijnklachten en cognitieve problemen, mogelijk fibromyalgie of long-covid, met beperkingen vastgelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 18 april 2024. Verzoeker gebruikte zware medicatie met bijwerkingen en stond op een wachtlijst voor revalidatie, maar deze omstandigheden waren onvoldoende om het medisch oordeel te betwisten.
Een arbeidsdeskundige legde passende functies ten grondslag aan de berekening van de arbeidsongeschiktheid, waartegen verzoeker geen bezwaren had ingebracht. Het UWV concludeerde dat verzoeker minder dan 35% arbeidsongeschikt is, waardoor geen recht meer bestaat op ZW-uitkering.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het bestreden besluit naar verwachting in bezwaar zal worden gehandhaafd en wees het verzoek tot voorlopige voorziening af. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening tegen de beëindiging van de Ziektewet-uitkering wordt afgewezen.