ECLI:NL:RBZWB:2024:6835

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
11 oktober 2024
Publicatiedatum
8 oktober 2024
Zaaknummer
BRE 23/2709
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen WOZ-beschikking en aanslagen niet-ontvankelijk wegens eerdere rechtsgang

Belanghebbende diende een bezwaarschrift in tegen de WOZ-beschikking en de gelijktijdig opgelegde aanslagen onroerendezaakbelasting en watersysteemheffing. De heffingsambtenaar wees het bezwaarschrift af omdat er al eerder een uitspraak op bezwaar was gedaan op dezelfde beschikking en aanslagen.

Belanghebbende stelde vervolgens beroep in tegen deze afwijzing. De rechtbank constateerde dat er al een eerdere beroepsprocedure was gevoerd onder zaaknummer BRE 21/4679, die niet-ontvankelijk was verklaard wegens het ontbreken van een machtiging. Belanghebbende had hiertegen verzet ingesteld, maar dit verzet werd ingetrokken tijdens een zitting.

Omdat de rechtsgang hiermee was doorlopen en beëindigd, oordeelde de rechtbank dat het niet mogelijk is om nogmaals beroep in te stellen tegen dezelfde beschikking en aanslagen. Daarom werd het beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Daarnaast wees de rechtbank het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn af, omdat het beroep niet-ontvankelijk was. De uitspraak werd zonder zitting gedaan op grond van artikel 8:54 Awb Pro.

Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-beschikking en aanslagen wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat dezelfde rechtsgang reeds is doorlopen en beëindigd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/2709

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 oktober 2024 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,

(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels),
en
de heffingsambtenaar van Belastingsamenwerking West-Brabant, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen brief van de heffingsambtenaar van 23 maart 2023.
1.1.
Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. Belanghebbende heeft een bezwaarschrift ingediend betreffende de WOZ-beschikking met [aanslagnummer] alsmede de gelijktijdig opgelegde aanslagen onroerendezaakbelasting en watersysteemheffing. Het bezwaarschrift is ontvangen door de heffingsambtenaar op 2 maart 2023.
3. De heffingsambtenaar heeft bij brief van 23 maart 2023 aan belanghebbende medegedeeld dat er voor deze WOZ-beschikking en aanslagen eerder op 20 augustus 2021 al uitspraak op bezwaar is gedaan en dat het (tweede) bezwaarschrift niet in behandeling genomen kan worden.
4. Belanghebbende heeft vervolgens met dagtekening 3 mei 2023 beroep ingesteld tegen de brief van de heffingsambtenaar.
5. De heffingsambtenaar heeft gereageerd op het beroepschrift en voert aan dat voor dezelfde WOZ-beschikking en aanslagen de beroepsprocedure reeds is doorlopen onder zaaknummer BRE 21/4679.
6. De rechtbank constateert dat het beroep met zaaknummer BRE 21/4679 zag op dezelfde WOZ-beschikking en aanslagen. Het beroep tegen de uitspraak op bezwaar van 20 augustus 2021 is bij uitspraak van 18 maart 2022 niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet overleggen van een machtiging. Hiertegen heeft belanghebbende verzet ingesteld. Het verzet is vervolgens behandeld op de zitting van 9 september 2022 en ter zitting ingetrokken.
7. Het is niet mogelijk om nogmaals beroep in te stellen nadat al een rechtsgang is doorlopen. Het systeem van de wet verzet zich daartegen. De rechtsgang is in deze procedure doorlopen en geëindigd bij de intrekking van het verzet. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
Immateriële schadevergoeding
8. Gemachtigde heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade als gevolg van het overschrijden van de redelijke termijn. Gelet op het hiervoor overwogene is het niet mogelijk om nogmaals beroep in te stellen. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade wordt reeds om die reden afgewezen. [1]

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- wijst het verzoek om een immateriële schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van N. Plasman, griffier, op 11 oktober 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Vgl. Hoge Raad 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1660.