ECLI:NL:RBZWB:2024:6829

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
11 oktober 2024
Publicatiedatum
8 oktober 2024
Zaaknummer
BRE 23/9711
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:24 AwbArt. 6:6 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroepen tegen WOZ-beschikkingen en aanslagen niet-ontvankelijk wegens ontbreken machtiging

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen WOZ-beschikkingen en aanslagen onroerendezaakbelasting en watersysteemheffing voor meerdere objecten. De beroepen zijn ingediend door mr. D.A.N. Bartels namens belanghebbende. De rechtbank heeft echter vastgesteld dat geen juiste machtiging is overgelegd die aantoont dat mr. Bartels bevoegd is om namens belanghebbende op te treden.

De rechtbank heeft mr. Bartels meerdere malen verzocht om binnen gestelde termijnen een geldige machtiging te overleggen. Deze verzoeken zijn niet tijdig of niet correct nagekomen, waarbij onder meer een blanco machtiging is ingediend en een machtiging op naam van een andere persoon dan belanghebbende. Hierdoor is het verzuim niet hersteld.

Omdat de gemachtigde niet bevoegd is verklaart de rechtbank de beroepen kennelijk niet-ontvankelijk en beoordeelt zij de inhoud van de beroepen niet. Tevens wijst de rechtbank het verzoek om immateriële schadevergoeding af, omdat mr. Bartels niet bevoegd is om dit namens belanghebbende te verzoeken.

De bestreden besluiten blijven daarmee in stand en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Partijen kunnen binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een verzetschrift indienen.

Uitkomst: De beroepen worden niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een juiste machtiging en het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 23/9711 tot en met 23/9717

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 oktober 2024 in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,

(gesteld gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels),
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over de beroepen van belanghebbende tegen de bestreden uitspraken op bezwaar van de heffingsambtenaar van 12 september 2023. De beroepen zien op de WOZ-beschikkingen alsmede de gelijktijdig opgelegde aanslagen onroerendezaakbelasting en watersysteemheffing met [aanslagnummer] van de volgende objecten:
Zaaknummer
Object
23/9711
[object 1]
23/9712
[object 2]
23/9713
[object 3]
23/9714
[object 4]
23/9715
[object 5]
23/9716
[object 6]
23/9717
[object 7]
1.1.
Omdat de beroepen kennelijk niet-ontvankelijk zijn, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank komt tot het oordeel dat de beroepen kennelijk niet-ontvankelijk zijn omdat mr. D.A.N. Bartels geen machtiging heeft ingediend die is ondertekend door belanghebbende en dat verzuim niet tijdig heeft hersteld. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Toetsingskader
3. Iemand die namens een ander beroep instelt, moet op verzoek van de rechtbank een machtiging indienen om aan te tonen dat hij namens die ander beroep mag instellen. [1] Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren. [2]
Is een machtiging overgelegd?
4. Het beroepschrift is ingediend door mr. D.A.N. Bartels. Hij vermeldt daarin dat hij de gemachtigde is van belanghebbende. Hij heeft bij het beroepschrift echter geen machtiging bijgevoegd waaruit blijkt dat hij gemachtigd is om de beroepen in te stellen namens belanghebbende. De rechtbank heeft hem in haar bericht van 26 september 2023 verzocht om binnen vier weken dit verzuim te herstellen. mr. D.A.N. Bartels heeft binnen die termijn geen machtiging ingediend. Het verzoek is herhaald bij brief van 12 december 2023 met een laatste termijn van vier weken. Hier heeft mr. D.A.N. Bartels bij brief van 30 december 2023 op gereageerd met een blanco machtiging. Bij aangetekende brief van 29 januari 2024 is mr. D.A.N. Bartels verzocht om binnen twee weken een machtiging in te dienen die op naam is gesteld en voorzien is van ondertekening. Bij brief van 5 februari 2024 is er een machtiging overgelegd op naam van [naam].
5. Mr. D.A.N. Bartels heeft niet tijdig een machtiging ingediend op naam van belanghebbende.
Is het niet tijdig indienen van een machtiging verontschuldigbaar?
6. mr. D.A.N. Bartels heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken. Uit het beroepschrift blijkt dat mr. D.A.N. Bartels niet de bedoeling heeft voor zichzelf in beroep te komen.

Conclusie en gevolgen

7. De beroepen zijn daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank de beroepen niet inhoudelijk beoordeelt en dat de bestreden besluiten in stand blijven. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Immateriële schadevergoeding
8. Nu niet is gebleken dat mr. D.A.N. Bartels is gemachtigd om namens belanghebbende te procederen is naar het oordeel van de rechtbank mr. D.A.N. Bartels ook niet bevoegd om namens belanghebbende een verzoek te doen om toekenning van een immateriële schadevergoeding en een proceskostenvergoeding. De rechtbank wijst de verzoeken dan ook af.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen niet-ontvankelijk;
- wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van N. Plasman, griffier, op 11 oktober 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier, De rechter,
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat in artikel 8:24, tweede lid, van de Awb.
2.Dit staat in artikel 6:6 van Pro de Awb.