ECLI:NL:RBZWB:2024:6747
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen WOZ-waarde en schending artikel 40 Wet WOZ ongegrond verklaard
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning en tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar. Tijdens de zitting heeft belanghebbende de beroepsgrond met betrekking tot de WOZ-waarde ingetrokken, waardoor alleen de vraag overbleef of artikel 40 van Pro de Wet WOZ was geschonden en of er recht was op immateriële schadevergoeding.
De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van een schending van artikel 40 Wet Pro WOZ. De heffingsambtenaar heeft de waarde in elke fase van de procedure kunnen onderbouwen en heeft in beroep een nieuw waarderapport ingediend. Het beroep op schending van artikel 40 was Pro onvoldoende specifiek en niet onderbouwd met concrete gegevens die onder de reikwijdte van artikel 40 vallen Pro.
Daarnaast is het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke beslistermijn afgewezen. De rechtbank acht het aannemelijk dat belanghebbende geen spanning of frustratie heeft geleden, mede omdat cliënten van het gemachtigde kantoor doorgaans niet actief bij de procedure betrokken zijn en niet worden geïnformeerd.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, de WOZ-waarde en aanslag OZB blijven gehandhaafd en er wordt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde en schending van artikel 40 Wet WOZ is ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding afgewezen.