ECLI:NL:RBZWB:2024:6504

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
4 september 2024
Publicatiedatum
23 september 2024
Zaaknummer
10859670 CV EXPL 23-4394 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Van 't Nedereind
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 706 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering verzekeraar wegens rijden onder invloed bij verkeersongeval

In deze civiele bodemzaak vordert Nationale Nederlanden Schadeverzekering Maatschappij N.V. betaling van een bedrag wegens een verkeersongeval op 14 december 2019 waarbij gedaagde betrokken was. Gedaagde betwistte dat hij de bestuurder was ten tijde van het ongeval en mocht tegenbewijs leveren.

Gedaagde heeft slechts een korte schriftelijke verklaring van zijn ex-partner overgelegd waarin zij verklaart de bestuurder te zijn geweest. De kantonrechter oordeelt dat dit onvoldoende is om het voorshands bewezen feit dat gedaagde onder invloed van alcohol reed te ontzenuwen. Gedaagde heeft nagelaten aanvullende getuigen te laten horen of ander bewijs te overleggen.

De kantonrechter wijst daarom de vordering van de verzekeraar toe, inclusief de hoofdsom, wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten, beslagkosten en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en in het openbaar uitgesproken op 4 september 2024.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van € 17.922,29 plus wettelijke rente, beslagkosten en proceskosten wegens rijden onder invloed bij een verkeersongeval.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 10859670 \ CV EXPL 23-4394
Vonnis van 4 september 2024
in de zaak van
NATIONALE NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V.,
te 's-Gravenhage,
eisende partij,
hierna te noemen: de verzekeraar,
gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V.,
tegen
[gedaagde],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. F.J.V.H. Stoffels.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 26 juni 2024
- de akte bewijslevering van [gedaagde] met één productie van de verzekeraar
- de akte van de verzekeraar.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
Volhard wordt bij wat is overwogen en beslist in het tussenvonnis van 26 juni 2024.
2.2.
Bij vonnis van 26 juni 2024 is [gedaagde] toegelaten te bewijzen dat hij niet de bestuurder was van de auto met [kenteken] ten tijde van het veroorzaakte verkeersongeval op 14 december 2019.
2.3.
[gedaagde] heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Hij heeft in dat kader een korte schriftelijke verklaring van zijn [ex-partner] overgelegd. In deze verklaring staat:
“Hierbij verklaar ik wederom [ex-partner] wonend [woonadres] en ex-partner van de heer [gedaagde] dat ik in de nacht van zaterdag 14 december 2019 de bestuurder van de Mercedes ML met [kenteken] op de terugweg en ook op het moment van het ongeval op de Backer Rubweg te Breda was.
2.4.
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] niet is geslaagd in het van hem verlangde (tegen)bewijs en overweegt hiertoe als volgt.
2.5.
Naar het oordeel van de kantonrechter is niet voldoende komen vast te staan dat [gedaagde] niet de bestuurder was van de auto met [kenteken] ten tijde van het veroorzaakte verkeersongeval op 14 december 2019. [gedaagde] heeft ervoor gekozen om slechts een zeer korte, schriftelijke verklaring van zijn ex-partner overleggen, waarin zij enkel verklaart dat zij op dat moment de bestuurder was. De kantonrechter kan niet toetsen hoe deze verklaring tot stand is gekomen en heeft ook geen mogelijkheid gehad om aanvullende dan wel kritische vragen te stellen om te kijken of haar verklaring overeenkomt met wat door [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling is gesteld. Naar het oordeel van de kantonrechter had [gedaagde] meer kunnen en moeten doen om tegenbewijs te leveren, bijvoorbeeld het laten horen van getuigen, waaronder [gedaagde] zelf, zijn ex-partner en mogelijk ook andere getuigen, zoals de politieagenten die ter plaatse zijn gekomen. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan. [gedaagde] heeft ook geen gebruik gemaakt van het overleggen van andere bewijsmiddelen.
Conclusie
2.6.
De kantonrechter concludeert dat de overgelegde schriftelijke verklaring onvoldoende gewicht in de schaal legt om wat in het tussenvonnis voorshands bewezen werd geacht, namelijk dat [gedaagde] onder invloed van alcohol een verkeersongeval heeft veroorzaakt, te ontzenuwen. Dit betekent dat wat voorshands bewezen werd geacht door de kantonrechter, namelijk dat [gedaagde] heeft gereden onder invloed van alcohol tijdens het veroorzaken van het ongeval, in stand blijft. Dit betekent dat het beroep van de verzekeraar op de dekkingsuitsluiting slaagt en dat een bedrag van € 14.554,74 aan hoofdsom wordt toegewezen. De daarover gevorderde wettelijke rente vanaf 6 december 2023 tot aan de dag van volledige betaling wijst de kantonrechter ook toe.
Buitengerechtelijke incassokosten
2.7.
De door de verzekeraar gevorderde buitengerechtelijke incassokosten van € 920,55 wijst de kantonrechter toe, nu dit bedrag aansluit bij het toe te wijzen bedrag aan hoofdsom.
Beslagkosten
2.8.
De verzekeraar vordert [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv Pro toewijsbaar. De beslagkosten worden vastgesteld op € 447,16 voor kosten deurwaardersexploten, € 676,00 voor griffierecht en € 598,00 voor salaris gemachtigde (1,0 punt(en) × € 598,00), totaal € 1.721,16.
Proceskosten
2.9.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de verzekeraar worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
107,84
- griffierecht
733,00
- salaris gemachtigde
1.015,00
(2,50 punten × € 406,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.990,84

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan de verzekeraar te betalen een bedrag van € 17.922,29, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over een bedrag van € 14.554,74, met ingang van 6 december 2023, tot de dag van volledige betaling,
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 1.721,16,
3.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.990,84, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van 't Nedereind en in het openbaar uitgesproken op 4 september 2024.