Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
feit 2: op 21 mei 2023 samen met anderen wederrechtelijk heeft verbleven op het afgesloten terrein van [bedrijf] in de haven van Vlissingen en zich toegang heeft verschaft door middel van braak, inklimming of een valse sleutel.
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
5.De strafbaarheid
6.De strafoplegging
7.Het beslag
8.De wettelijke voorschriften
9.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan het onder 2 ten laste gelegde feit;
feit 1: medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen door voorwerpen en stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
een gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden, waarvan 6 (zes) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van
zich niet op te houden in het navolgende gebied: de haven van Vlissingen-Oost en haar toegangswegen (Europaweg Zuid, Weelhoekweg, Zeedijk, Wilhelminahofweg, Europaweg Oost, Europaweg Noord, Europaweg West, Koedijk, Ritthemsestraat, Schorepolderweg);
2 (twee) weken, met een totale duur van ten hoogste 6 (zes) maanden;