De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 21 augustus 2024 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van ontucht met een cliënt in de periode van september 2020 tot juli 2021. De officier van justitie stelde dat verdachte zich schuldig had gemaakt aan ontucht binnen een voortgezette behandelrelatie en eiste een taakstraf.
De verdediging voerde aan dat de seksuele handelingen plaatsvonden nadat de behandelrelatie formeel was beëindigd en dat er geen sprake was van voortgezette afhankelijkheid. De rechtbank onderzocht of de relatie tussen verdachte en slachtoffer nog als behandelrelatie kon worden aangemerkt tijdens de seksuele handelingen.
Uit het dossier bleek dat de cliënt slechts kort was opgenomen en dat de wandelingen en seksuele contacten na de formele beëindiging van de behandeling plaatsvonden. Er was onvoldoende bewijs voor voortgezette afhankelijkheid of een voortgezette behandelrelatie. De rechtbank oordeelde dat de seksuele handelingen vrijwillig waren en sprak verdachte vrij van ontucht.
De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij werd afgewezen wegens de vrijspraak. De rechtbank verklaarde de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering en veroordeelde haar in de proceskosten.