ECLI:NL:RBZWB:2024:5990

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
27 augustus 2024
Publicatiedatum
27 augustus 2024
Zaaknummer
233487V ue
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 1:3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring Woo-verzoeken door rechtbank afgewezen

Opposant diende verzet in tegen de uitspraak van de rechtbank van 14 mei 2024, waarin zijn beroepen tegen het niet tijdig beslissen op Woo-verzoeken van 5 en 15 mei 2023 kennelijk niet-ontvankelijk werden verklaard. De rechtbank had geoordeeld dat het Woo-verzoek van 5 mei 2023 geen aanvraag in de zin van artikel 1:3 Awb Pro was, waardoor geen wettelijke beslistermijn was gestart. Voor het verzoek van 15 mei 2023 was inmiddels alsnog een besluit genomen, waardoor geen belang meer bestond bij inhoudelijke beoordeling.

De rechtbank heeft het verzet beoordeeld zonder zitting, aangezien opposant geen zitting had verzocht en het oordeel buiten redelijke twijfel stond. Opposant voerde geen nieuwe gronden aan die het eerdere oordeel konden weerleggen. Daarom verklaarde de rechtbank het verzet ongegrond en behield de niet-ontvankelijkverklaring van de beroepen haar stand.

Als gevolg hiervan vindt geen inhoudelijke beoordeling van de Woo-verzoeken plaats, wordt het griffierecht niet teruggegeven en worden proceskosten niet vergoed. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van de beroepen blijft gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 23/3487 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 augustus 2024 op het verzet van

[opposant], uit [plaats], opposant [1] ,
tegen de uitspraak van de rechtbank van 14 mei 2024 in het geding tussen
opposant
en

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen op Zoom,het college.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van opposant gaat over de uitspraak van de rechtbank van 14 mei 2024 waarin de rechtbank de beroepen van opposant tegen het niet tijdig beslissen op Woo-verzoeken van 5 en 15 mei 2023 kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep van opposant tegen het besluit van 27 juni 2023 valt niet onder het verzet, aangezien dit beroep naar het college is verwezen ter behandeling als bezwaar.
1.1.
Opposant heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord. De rechtbank heeft daarvoor ook geen aanleiding gezien, zodat een zitting achterwege is gebleven.

Beoordeling door de rechtbank van het verzet

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak eerst of in de uitspraak van 14 mei 2024 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [2] is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
4. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft de beroepen kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
De reden hiervoor was dat de rechtbank tot de conclusie kwam dat het Woo-verzoek van 5 mei 2023 geen aanvraag was in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb, zodat er geen wettelijke termijn is gaan lopen. Voor wat betreft het Woo-verzoek van 15 mei 2023 oordeelde de rechtbank dat het college na het beroep alsnog een besluit heeft genomen op 27 juni 2023 en dat niet gebleken was dat opposant nog belang had bij een inhoudelijke beoordeling van het niet tijdig nemen van een besluit door het college.
5. Opposant heeft in zijn verzetschrift geen gronden aangevoerd waaruit volgt dat ten onrechte is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Hierdoor ziet de verzetsrechter dan ook geen aanleiding om anders te oordelen dan in de uitspraak van 14 mei 2024. De verzetsrechter is van oordeel dat de rechtbank terecht de beroepen kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. De rechtbank beoordeelt de zaak niet inhoudelijk. Opposant krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond;
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van mr. E.M.A. Vissers-van Es griffier, op 27 augustus 2024 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
2.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).