Uitspraak
1.De procedure
- de akte van [bedrijf van eiser] , met aanvullende producties 1 en 2;
- de akte van [gedaagde] .
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
In deze incassozaak vordert eiser betaling van meerdere openstaande facturen van gedaagde. De rechtbank bevestigt het tussenvonnis waarin is bepaald dat gedaagde het openstaande bedrag van vier facturen uit 2021 en 2022 verschuldigd is, totaal €695,33.
Eiser heeft niet voldoende onderbouwd dat de factuur van 24 mei 2022 ad €774,40 gegrond is, omdat zij niet heeft aangetoond dat de werkzaamheden buiten het abonnement op verzoek van gedaagde zijn verricht. Deze vordering wordt daarom afgewezen.
De rechtbank wijst de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten toe, maar beperkt deze tot het wettelijke maximum van €104,30. Gedaagde heeft reeds €550,00 betaald en wordt veroordeeld tot betaling van het restant van €249,63 plus wettelijke handelsrente over de openstaande bedragen.
De proceskosten worden deels toegewezen en begroot op €313,32, waarbij het griffierecht wordt aangepast aan het toegewezen bedrag. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €249,63 plus wettelijke rente en proceskosten, met afwijzing van de factuur van mei 2022.