Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
€ 135,00
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eiser was van 1 december 2020 tot 1 december 2023 in dienst bij gedaagde, waarbij de cao Metaal en Techniek Metaalbewerkingsbedrijf van toepassing was. Na beëindiging van het dienstverband ontstond een geschil over de toekenning van ADV-uren over 2020-2022 en de eigendom van bepaalde gereedschappen.
Eiser vorderde betaling van niet toegekende ADV-uren, wettelijke verhoging, incassokosten en afgifte van gereedschappen. Gedaagde stelde dat de cao alleen een 38-urige werkweek kent en dat eiser reeds een hoger salaris ontving voor 40 uur, waardoor geen recht op ADV-uren zou bestaan. Tevens betwistte zij eigendom van de gereedschappen.
De kantonrechter oordeelde dat uit de cao volgt dat eiser recht heeft op ADV-uren en dat deze niet verrekend hoeven te worden met vrije dagen rond de feestdagen. De vordering tot betaling van ADV-uren en een gematigde wettelijke verhoging werd toegewezen. Ten aanzien van de gereedschappen werd vastgesteld dat eiser eigenaar is van de gereedschappen die hij buiten het dienstverband heeft verkregen, en gedaagde werd veroordeeld tot afgifte hiervan. Ook werden buitengerechtelijke incassokosten toegewezen en gedaagde veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van niet toegekende ADV-uren, wettelijke verhoging, incassokosten en afgifte van gereedschappen aan eiser.