Uitspraak
1.Het (verdere) procesverloop
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
Ik niet jagen, zij ook niet jagen.”. [gedaagde] heeft op de mondelinge behandeling betwist dat hij een dergelijke opmerking heeft gemaakt. [eiseres] heeft verder niet onderbouwd wanneer, tegen wie en in welke context [gedaagde] de gestelde opmerking zou hebben gemaakt. De kantonrechter is van oordeel dat [eiseres] onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld die haar beroep op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid kan dragen.