6.3Het oordeel van de rechtbank
De aard en de ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het verwerven van, het in het bezit hebben van en het zich toegang verschaffen tot kinderporno. Daartoe heeft verdachte zijn toenmalige vriendje, [slachtoffer] , van 13 jaar oud via een anoniem account benaderd. Hij heeft dit slachtoffer een groot aantal opdrachten gegeven om foto’s en video’s te maken van diens voeten. Het slachtoffer moest onder andere video’s maken waarop hij zijn tenen moest “pijpen” en waarop hij over zijn voeten moest klaarkomen. Deed hij dit niet, dan zouden foto’s en video’s van het slachtoffer openbaar worden gemaakt, zou ervoor worden gezorgd dat de relatie tussen het slachtoffer en verdachte zou worden beëindigd of zou het slachtoffer worden gedood. Het slachtoffer heeft zich gedurende ruim een half jaar aan deze opdrachten gehouden en foto’s en video’s naar het anonieme account van verdachte gestuurd. Deze foto’s en video’s zijn op de telefoon en de iPad van verdachte aangetroffen. Ook zijn hierop soortgelijke foto’s en video’s aangetroffen van een andere (onbekend gebleven) minderjarige jongen.
Het slachtoffer heeft tijdens de relatie over de opdrachten en bedreigingen via het anonieme account met verdachte gesproken. Verdachte wierp zich daarbij op als diens beschermer. Pas na het verbreken van hun relatie, heeft verdachte tegen het slachtoffer gezegd dat het anonieme account van hem was. Zoals verdachte op de zitting heeft verklaard, heeft hij dit anonieme account opgezet om wraak te nemen op het slachtoffer. Het slachtoffer had namelijk vóór de relatie met verdachte een vriend van verdachte bedreigd. Verdachte heeft toen samen met zijn vrienden een plan bedacht om het slachtoffer terug te pakken. Een voor verdachte aardige bijkomstig hierbij was, dat hij door de foto’s en video’s van het seksuele handelen met de voeten bevrediging kreeg voor zijn voetenfetisj.
Uit het voorgaande volgt dat niet zomaar sprake was van het in het kader van een liefdesrelatie over en weer sturen van seksueel getinte foto’s en video’s. Verdachte heeft het slachtoffer hiertoe gedwongen en hij heeft daarbij gebruik gemaakt van een anoniem account. Dit maakt dat het hier gaat om een strafbare vorm van het verwerven van, het in het bezit hebben van en het zich toegang verschaffen tot kinderporno.
Verdachte heeft door zo te handelen veel schade toegebracht aan het toen nog jonge slachtoffer. Dit volgt ook uit het door zijn ouders uitgeoefende spreekrecht op de zitting. Zij hebben aangegeven dat hun zoon naarmate de relatie tussen hem en verdachte vorderde, steeds slechter in zijn vel ging zitten. Hij ging slechter slapen en vertoonde meer impulsief gedrag. Dit, terwijl hij al een kwetsbare jongen is, die sinds jonge leeftijd te kampen heeft met kindeigen problematiek. Door hetgeen verdachte het slachtoffer heeft aangedaan, is diens zelfbeeld lager geworden en vindt het slachtoffer het moeilijker om mensen te vertrouwen. Het slachtoffer heeft hierdoor meer hulpverlening nodig dan voorheen.
De rechtbank neemt verdachte de gevolgen voor het slachtoffer zeer kwalijk. Hij heeft op een geraffineerde en manipulatieve manier gedurende lange tijd misbruik gemaakt van het al kwetsbare slachtoffer om wraak te nemen en om aan zijn eigen seksuele gerief te kunnen komen. Dat het slachtoffer zijn toenmalig vriendje was, op wie hij zegt verliefd te zijn geweest, maakt daarbij dat de rechtbank veel zorgen heeft over de gevoelswereld en over de gewetensvorming van verdachte.
De persoon van verdachte
Naast de ernst van het feit houdt de rechtbank bij de bepaling van de straf rekening met het strafblad van verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte in 2021 is veroordeeld voor een bedreiging met zware mishandeling.
Ook houdt rechtbank hierbij rekening met het rapport van de Raad van 25 juli 2024 dat over verdachte is opgemaakt en met de toelichting hierop op de zitting. De Raad heeft alleen op basis van gesprekken met verdachte een beeld van hem kunnen krijgen: verdachte heeft aan de Raad namelijk geen toestemming gegeven om anderen over hem te benaderen. Hieruit is evenwel al een zorgelijk beeld over de ontwikkeling van verdachte naar voren gekomen. Verdachte gebruikt veel softdrugs en soms ook harddrugs om met zijn emoties en agressieproblematiek om te kunnen gaan. Daarbij zijn er zorgen over de morele ontwikkeling van verdachte. De Raad acht het van belang inzicht te krijgen in de gemoedstoestand van verdachte en dat verdachte leert om, anders dan met drugs, op een gezonde manier zijn emoties en agressie te reguleren. De Raad adviseert aan verdachte op te leggen een taakstraf in de vorm van een werkstraf, zodat hij concreet ervaart dat zijn gedrag consequenties heeft. Daarnaast adviseert de Raad om aan hem een voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met een proeftijd van twee (2) jaar en met als bijzondere voorwaarden dat verdachte:
- meewerkt aan een diagnostisch onderzoek en aan de daaruit voortkomende behandeling en/of begeleiding, zolang als dit noodzakelijk wordt geacht door de jeugdreclassering;
- meewerkt aan het verkrijgen en behouden van een zinvolle dagbesteding (scholing en/of werk);
- meewerkt aan het verkrijgen en behouden van een zinvolle vrijetijdsbesteding.
De straf
In artikel 77ma Sr staat opgenomen dat een taakstraf niet wordt opgelegd in geval van veroordeling voor een misdrijf als omschreven in artikel 240b Sr, tenzij tevens jeugddetentie of de maatregel betreffende het gedrag (GBM-maatregel) of de maatregel plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (PIJ-maatregel) wordt opgelegd. Nu in dit geval sprake is een misdrijf omschreven in artikel 240b Sr, betekent dit dat aan verdachte, al dan niet naast een taakstraf, een jeugddetentie of een GBM-maatregel of een PIJ-maatregel zou moeten worden opgelegd.
Zoals het gerechtshof ’s-Hertogenbosch in zijn arrest van 22 juni 2022 (ECLI:NL:GHSHE: 2022:2036) heeft overwogen, kenmerkt het jeugdstrafrecht zich door het pedagogische karakter ervan. Het jeugdstrafrecht is steeds maatwerk, afhankelijk van de individuele situatie van een verdachte en de omstandigheden waaronder het feit is begaan. Onverkorte toepassing van artikel 77ma Sr kan hiermee op gespannen voet komen te staan. Daarbij kan toepassing van dit artikel ook strijd opleveren met de artikelen 37 en 40 van het Internationale Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). Volgens deze artikelen zijn Staten verplicht om vrijheidsbeneming slechts als uiterste maatregel te hanteren en dienen deze ervoor te zorgen dat de strafrechtelijke aanpak van minderjarigen hun welzijn niet schaadt en in de juiste verhouding staat zowel tot hun omstandigheden als tot het strafbare feit. Staten dienen minderjarigen die worden verdacht van, vervolgd wegens of veroordeeld ter zake van een strafbaar feit zo te behandelen dat dit hun herintegratie en opbouwende rol in de maatschappij bevordert.
De rechtbank is van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf in deze zaak als pedagogisch enige juiste straf heeft te gelden. Verdachte zal door het verrichten van de werkstraf de gevolgen van zijn handelen aan den lijve ondervinden. Daarnaast zal door de voorwaarden die aan de voorwaardelijke jeugddetentie zijn verbonden, inzicht worden verkregen in de bij verdachte aanwezige problematiek en zal verdachte hiervoor worden behandeld en/of begeleid door de jeugdreclassering. Dit zal, naast het hebben van een zinvolle dagbesteding en vrijetijdsbesteding, bijdragen aan het op een goede manier vorm geven van het volwassen leven van verdachte. De rechtbank zal verdachte dan ook deze straf opleggen en hierbij voorbijgaan aan het bepaalde in artikel 77ma Sr.