ECLI:NL:RBZWB:2024:5451

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
7 juni 2024
Publicatiedatum
7 augustus 2024
Zaaknummer
10731271 \ MB VERZ 23-503
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • W.H.C. van Eck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13a lid 3 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond tegen verkeersboete wegens strijd met beleidskader digitale handhaving geslotenverklaringen

Betrokkene kreeg meerdere boetes opgelegd voor het overtreden van een geslotenverklaring voor motorvoertuigen op de Houtmarkt te Breda. De boetes betroffen verschillende data, waarbij de tweede boete werd opgelegd vóór verzending van de eerste boetebeschikking. Volgens het beleidskader digitale handhaving geslotenverklaringen mag slechts één boete per kenteken per week worden opgelegd en moet de eerste boete eerst zijn verzonden voordat een volgende kan volgen.

De gemachtigde voerde aan dat de verkeerssituatie onduidelijk was en dat meerdere boetes onredelijk waren, mede omdat het om dezelfde persoon ging maar met verschillende kentekens. De officier van justitie stelde dat het om verschillende kentekens en kentekenhouders ging en dat het beroep ongegrond moest worden verklaard.

De kantonrechter oordeelde dat het stellig en aannemelijk is dat dezelfde persoon de overtredingen beging en dat de tweede boete onrechtmatig is opgelegd omdat deze vóór de verzending van de eerste boete viel. Daarom werd het beroep gegrond verklaard, de boetebeschikking vernietigd en het betaalde bedrag terugbetaald. Tevens werd een proceskostenvergoeding toegekend aan betrokkene.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en hoger beroep is uitgesloten.

Uitkomst: Het beroep tegen de verkeersboete is gegrond verklaard en de boetebeschikking is vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht
Zittingsplaats Breda
zaaknummer : 10731271 \ MB VERZ 23-503
CJIB-nummer : 4062 5422 5039 1335
uitspraakdatum : 7 juni 2024
proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
naam :
[betrokkene]
adres : [adres]
woonplaats : [woonplaats]
hierna: betrokkene
gemachtigde : [gemachtigde]

Verloop van de procedure

Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Gemachtigde heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door gemachtigde beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 7 juni 2024. Namens de officier van justitie is verschenen mr. A. de Vreeze (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Gemachtigde is ook verschenen.

Standpunten

De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven:
handelen in strijd met een geslotenverklaring voor alle motorvoertuigen: bord C12 op de Houtmarkt (richting de Karnemelkstraat) te Breda op 26 mei 2022 om 11:34 uur.
Gemachtigde heeft namens betrokkene in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de boete niet redelijk is gelet op de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden. Betrokkene stelt dat zijn dochter drie keer een boete heeft gereden voor hetzelfde feit, door een erg onduidelijke verkeersituatie. Betrokkene stelt dat zijn dochter geen kans heeft gehad om haar gedrag aan te passen. De dochter van betrokkene is niet bekend in Breda en de borden als ‘Houtmarkt gesloten’ of ‘Houtmarkt niet bereikbaar’ geven haar niet de indruk dat deze voor haar van toepassing zijn. Gemachtigde stelt dat er is gehandeld in strijd met het digitale Beleidskader digitale handhaving geslotenverklaringen en voetgangersgebieden. Er mag per week maximaal één beschikking per kenteken worden geregistreerd en de eerste moet zijn verzonden voordat de volgende wordt opgelegd. Betrokkene heeft meerdere sancties binnen één week ontvangen. Gemachtigde voert aan dat de officier van justitie een bewijslast heeft om aan te tonen dat de gedraging is verricht. Voorts verzoekt gemachtigde om een proceskostenvergoeding toe te wijzen op rekening van gemachtigde.
Ter zitting heeft gemachtigde hieraan toegevoegd dat het een ander kenteken betreft. De verklaring van betrokkene beroept zicht op de onjuiste bebording. De gedraging is met een andere auto begaan dan in de vorige zaken, maar wel door hetzelfde persoon.
De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep ongegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Volgens het Beleidskader mag er één beschikking per week per kenteken worden opgelegd. Deze gedraging betreft een ander kentekenen met een andere kentekenhouder dan de vorige twee gedragingen van betrokkene. Voorts heeft betrokkene niet voldoende onderbouwd dat hetzelfde persoon ook deze overtreding heeft begaan.

Overwegingen

De kantonrechter overweegt dat het in deze zaak gaat om het opleggen van meerdere boetes voor het handelen in strijd met een gesloten¬verklaring, vastgesteld via digitale handhaving. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft hierover in een arrest van 24 februari 2023 (ECLI:NL:GHARL:2023:1663) - kort samengevat - geoordeeld dat het “Beleidskader digitale handhaving geslotenverklaringen en voetgangersgebieden, versie augustus 2018” (hierna: het Beleidskader) voorschrijft dat de eerste boete¬beschikking moet zijn verzonden voordat een volgende boete kan worden opgelegd. De gedachte hierachter is dat een betrokkene pas na ontvangst van de eerste boete in de gelegenheid is om zijn of haar gedrag aan te passen. De kantonrechter is van oordeel dat het stellig en aannemelijk is dat het dezelfde persoon betreft als bij de andere twee gedragingen.
In dit geval is de eerste boetebeschikking (voor een overtreding op 26 mei 2022) gedateerd 2 juli 2022. De tweede boete betreft een overtreding op 12 juni 2022, dat is vóór de datum van verzending van de eerste boetebeschikking. Dit betekent dat het opleggen van deze tweede boete in strijd is met het Beleidskader. Het beroep is dus gegrond en de boetebeschikking zal worden vernietigd.
Het beroep is dus gegrond. De beschikking waarbij de boete is opgelegd en de beslissing van de officier van justitie zullen worden vernietigd. Het bedrag dat betrokkene aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.
Conclusie
Het beroep is dus gegrond. De beschikking waarbij de boete is opgelegd en de beslissing van de officier van justitie zullen worden vernietigd. Het bedrag dat betrokkene aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.
Proceskostenvergoeding
Ook zal de kantonrechter een proceskostenvergoeding toekennen voor het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter.
Vanwege de samenhang tussen de verschillende beroepschriften zal een factor 1,5 worden toegepast, nu het vier zaken betreft.
De berekening is als volgt:
1. punt x gewicht 0,25 x € 875,- = € 218,75 x factor 1,5 = € 328,13.
1. punt x gewicht 0,25 x € 875,- = € 218,75 x factor 1,5 = € 328,13.
€ 328,13 + € 328,13 = € 656,26 : 4 = € 164,07.
De gemachtigde heeft verzocht te bepalen dat alleen bevrijdend kan worden betaald door de bedragen over te maken op een bankrekening van de gemachtigde. Zoals het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in ECLI:NL:GHARL:2024:1 heeft overwogen is hiervoor geen wettelijke grondslag. Omdat de wijze van betaling, namelijk op een bankrekening van betrokkene, rechtstreeks voortvloeit uit artikel 13a, lid 3 van de Wahv, is er geen aanleiding om daarover in het dictum een beslissing op te nemen.

Beslissing

De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep gegrond;
‒ vernietigt de bestreden beslissing van de officier van justitie en de beschikking waarbij de boete is opgelegd;
‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 109,- dat betrokkene als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen;
‒ veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene van € 164,07.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.H.C. van Eck, kantonrechter, bijgestaan door de griffier X.L.C.M. van Sprundel, en in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2024.
Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.
Datum verzending: