Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Het verloop van de procedure
2.De feiten
.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De Raad voor de Kinderbescherming verzocht op 23 februari 2024 om een voorlopige ondertoezichtstelling van een ongeboren kind, vanwege ernstige zorgen over de moeder. De moeder is zwanger, maar heeft uit eerdere relaties drie kinderen die uit huis geplaatst zijn wegens huiselijk geweld. Sinds oktober 2023 is zij uit haar woning gezet, zwervend en niet bereikbaar voor hulpverlening. Ook is sprake van middelengebruik en het niet nakomen van afspraken bij de verloskundige.
De mondelinge behandeling vond plaats op 21 maart 2024, waarbij de moeder en andere betrokkenen niet verschenen. De rechtbank oordeelt op grond van artikel 1:2 BW Pro dat het ongeboren kind als reeds geboren kan worden aangemerkt om prenatale bescherming te bieden. Er is een ernstig vermoeden dat de grond voor ondertoezichtstelling is vervuld, gezien de omstandigheden en het eerdere huiselijk geweld.
De rechtbank acht een voorlopige ondertoezichtstelling noodzakelijk om acute en ernstige bedreigingen voor het ongeboren kind weg te nemen. De ondertoezichtstelling wordt vastgesteld voor drie maanden, van 21 maart tot 21 juni 2024, en wordt toegewezen aan Stichting Jeugdbescherming Brabant.
Uitkomst: Het ongeboren kind wordt voorlopig onder toezicht gesteld voor drie maanden vanwege ernstige zorgen over de moeder.