Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2018 te [geboorteplaats] ;
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2020 te [geboorteplaats] ,
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De vrouw vordert in kort geding vervangende toestemming om met haar twee minderjarige kinderen van 12 juli tot en met 5 augustus 2024 op vakantie te gaan naar Zweden, omdat de man, met wie zij gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefent, geen toestemming geeft en niet bereikbaar is. De man is niet verschenen tijdens de mondelinge behandeling, waarop verstek wordt verleend.
De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding correct is betekend, ondanks dat de man niet meer op het bekende adres verblijft. De vrouw heeft voldoende spoedeisend belang bij haar vordering vanwege de naderende vakantieperiode en de onbereikbaarheid van de man. De Raad voor de Kinderbescherming adviseert de vordering toe te wijzen, mits de vrouw in de toekomst contact probeert te onderhouden met de man over gezagszaken.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het in het belang van de minderjarigen is dat zij met hun moeder op vakantie kunnen gaan en familie in Zweden kunnen bezoeken. Gezien het verleden van huiselijk geweld en de onduidelijkheid over contactmogelijkheden, kan van de vrouw niet worden verlangd dat zij de man alsnog benadert. Daarom wordt de vordering toegewezen en het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De vrouw krijgt vervangende toestemming om met de minderjarige kinderen naar Zweden op vakantie te gaan.