Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een incidentele subsidie van ruim €1,8 miljoen voor de restauratie van het voorhuis van een rijksmonument dat hij in 2016 heeft gekocht. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hulst heeft deze aanvraag op 8 november 2022 afgewezen en het bezwaar van eiser op 16 mei 2023 ongegrond verklaard.
Eiser is tegen deze besluiten in beroep gegaan bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant. De rechtbank heeft op 8 mei 2024 de zaak behandeld, waarbij deskundigen en partijen aanwezig waren. De rechtbank heeft beoordeeld of het college terecht de subsidie heeft geweigerd.
De rechtbank oordeelt dat het college niet gehouden was de subsidie te verlenen omdat er geen wettelijke grondslag bestaat voor de subsidieverlening aan eigenaren van rijksmonumenten in deze gemeente. De uitzondering voor incidentele subsidies geldt slechts indien het om een beperkt aantal ontvangers en een beperkte duur gaat. Het college heeft terecht geoordeeld dat in de gemeente Hulst met 109 rijksmonumenten geen sprake is van een incidenteel geval.
Het beroep van eiser wordt daarom ongegrond verklaard. De rechtbank gaat niet in op andere beroepsgronden zoals het beleid en het evenredigheidsbeginsel. Eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.