Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
5.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan het tenlastegelegde feit;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 31 mei 2024 de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van het mishandelen van een twaalfjarig kind dat hij verzorgt en opvoedt. Het slachtoffer verklaarde dat zij in de eerste week van de meivakantie 2021 was vastgebonden met ducttape en tiewraps, maar haar verklaringen waren wisselend over de betrokkenheid van verdachte en diens moeder, de precieze gebeurtenissen en de duur van de mishandeling.
De officier van justitie verzocht de rechtbank verdachte vrij te spreken, omdat het feit niet wettig en overtuigend bewezen kon worden. Er was geen ondersteunend technisch bewijs, zoals foto’s van letsel of deskundigenrapporten, en verklaringen van getuigen waren tegenstrijdig. Het letsel dat het slachtoffer had, was onvoldoende specifiek om de mishandeling te bevestigen.
De rechtbank concludeerde dat ondanks de ernstige aard van de beschuldigingen, het bewijs onvoldoende was om tot een veroordeling te komen. De wisselende verklaringen van het slachtoffer en het ontbreken van ondersteunend bewijs leidden tot de vrijspraak van verdachte van alle tenlastegelegde feiten.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs van kindermishandeling.