Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
[betrokkene]
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Betrokkene kreeg een administratieve sanctie opgelegd wegens het overtreden van een geslotenverklaring voor motorvoertuigen op 1 juni 2022 in Breda. Tegen deze boete stelde betrokkene beroep in bij de officier van justitie, dat ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde betrokkene beroep in bij de kantonrechter.
De kantonrechter behandelde de zaak op 17 mei 2024, waarbij betrokkene niet aanwezig was. De officier van justitie verzocht primair het beroep niet-ontvankelijk te verklaren wegens te late indiening, subsidiair stelde hij dat de hoorplicht was geschonden. Betrokkene voerde aan dat beslag op zijn auto hem verhinderde tijdig beroep in te dienen en dat hij een ontheffing had.
De kantonrechter oordeelde dat het beroep te laat was ingediend; de wettelijke termijn van zes weken was verstreken. Betrokkene had niet aannemelijk gemaakt dat bijzondere omstandigheden het te late indienen niet aan hem konden worden toegerekend. Het beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard, zodat de inhoudelijke beoordeling van de boete achterwege bleef.
Uitkomst: Het beroep tegen de verkeersboete wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening.