ECLI:NL:RBZWB:2024:3254

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
8 mei 2024
Publicatiedatum
20 mei 2024
Zaaknummer
10634225 CV EXPL 23-2988 (E)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Ebben
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:408 BWArt. 7:411 BWArt. 7:413 BWArt. 6:248 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering makelaarsvergoeding wegens onvoldoende onderbouwing redelijkheid

In deze civiele bodemzaak vordert eiseres, een makelaarsbedrijf, betaling van een contractuele vergoeding na annulering van een opdracht tot verkoop van een woning door gedaagden. Eiseres stelt dat zij werkzaamheden heeft verricht zoals taxatie, contact, het opvragen van rapporten en het opstellen van advertentieteksten, en dat gedaagden op grond van de overeenkomst een annuleringsvergoeding en opstartkosten verschuldigd zijn.

Gedaagde sub 2 betwist de redelijkheid van de gevorderde vergoeding en stelt dat de werkzaamheden niet of nauwelijks zijn verricht. De kantonrechter constateert dat eiseres geen inzicht heeft gegeven in de hoeveelheid tijd die aan de opdracht is besteed noch de kosten daarvan, en dat de overgelegde stukken onvoldoende onderbouwing bieden voor de redelijkheid van de vergoeding.

Op grond van artikel 6:248 lid 2 BW Pro laat de kantonrechter het annuleringsbeding buiten toepassing, waardoor de grondslag van de vordering vervalt. De vordering wordt afgewezen en eiseres wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten van gedaagde sub 2. Het vonnis is gewezen door mr. Ebben en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2024.

Uitkomst: De vordering tot betaling van de annuleringsvergoeding wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van de redelijkheid.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Cluster I Civiele kantonzaken
Tilburg
zaak/rolnr.: 10634225 CV EXPL 23-2988
vonnis d.d. 8 mei 2024
inzake
[eiseres] B.V.,
(statutair) gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eiseres,
gemachtigde: [B.V.] te [plaats] ,
tegen

1.[gedaagde sub 1] ,

wonende te [woonadres 1] ,
gedaagde sub 1,
procederend in persoon,
en

2.[gedaagde sub 2] ,

wonende te [woonadres 2] ,
gedaagde sub 2,
gemachtigde: mr. H. Sanli, advocaat te Helmond.
Partijen worden hierna aangeduid als “ [eiseres] ”, “ [gedaagde sub 1] ” en “ [gedaagde sub 2] ”.

1.Het verloop van het geding

De procesgang blijkt uit de volgende stukken:
a. het tussenvonnis in deze zaak van 17 januari 2024 met de daarin genoemde processtukken;
b. de akte van [eiseres] van 14 februari 2024 met producties;
c. de antwoordakte van [gedaagde sub 2] van 10 april 2024 met producties.

2.De verdere beoordeling

2.1
In voornoemd tussenvonnis is [eiseres] in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de redelijkheid van de gevorderde vergoeding, waarbij zij tevens diende in te gaan op het bepaalde in de artikelen 7:408, 7:411 en 7:413 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
2.2
[eiseres] voert aan dat de overeengekomen courtage (na verkoop van de woning) veel hoger zou zijn uitgevallen dan de in rekening gebrachte annuleringsvergoeding. Bovendien zijn [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] op grond van de overeenkomst eenmalige opstartkosten van € 395,00 (exclusief btw) verschuldigd. Zij hebben echter tot op heden geen enkel bedrag hoeven betalen aan [eiseres] . Er waren al wel werkzaamheden verricht ten behoeve van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] , namelijk het taxeren van de woning, telefonisch contact tussen partijen, een vervolggesprek tussen partijen op het kantoor van [eiseres] , het checken van het Kadaster, het opvragen van rapporten, het aanvragen van een energielabel, het schrijven van teksten ten behoeve van de advertentie op Funda en de verkoopbrochure.
2.3
[gedaagde sub 2] voert aan dat de vergoeding niet redelijk is, nu sprake is van een forfaitaire vergoeding en deze niet gebaseerd is op de feitelijk uitgevoerde werkzaamheden. [gedaagde sub 2] betwist dat de door [eiseres] genoemde werkzaamheden zijn verricht. Hooguit is [gedaagde sub 2] één keer op het kantoor van [eiseres] geweest om de overeenkomst te tekenen. [gedaagde sub 2] heeft ook de door [eiseres] overgelegde stukken niet eerder gezien.
2.4
De kantonrechter overweegt dat de werkzaamheden, waarvan [eiseres] stelt dat die zijn uitgevoerd, grotendeels worden betwist door [gedaagde sub 2] . Daarbij heeft [eiseres] geen overzicht overgelegd hoeveel tijd aan de opdracht is besteed en tegen welke kostprijs de uren zijn gemaakt. Het had op haar weg gelegen dit te doen. Enkel heeft zij de stamkaart, die ziet op de voormalige woning van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] , en een bestemmingsplan overgelegd, waaruit niet volgt dat deze is voor de verkoop van de voormalige woning van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] en waarom het noodzakelijk was die op te vragen. Daarbij zijn die stukken onvoldoende om te onderbouwen dat sprake is van een redelijke vergoeding, zodat [eiseres] de redelijkheid van de gevorderde vergoeding onvoldoende hebben onderbouwd. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. De kantonrechter zal met toepassing van artikel 6:248 lid 2 BW Pro het annuleringsbeding buiten toepassing laten. Hierdoor ontvalt de grondslag van de vordering, zodat de gevorderde hoofdsom niet toewijsbaar is.
2.5
Nu de hoofdsom wordt afgewezen, zijn ook de gevorderde nevenvorderingen niet toewijsbaar.
2.6
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde sub 1] worden begroot op nihil. De proceskosten van [gedaagde sub 2] worden begroot op:
- salaris gemachtigde € 510,00 (2,5 punt x tarief € 204,00)
- nakosten
€ 102,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 612,00.

3.De beslissing

De kantonrechter:
wijst de vordering af;
veroordeelt [eiseres] tot betaling van de proceskosten van [gedaagde sub 1] , begroot op nihil;
veroordeelt [eiseres] tot betaling van de proceskosten van [gedaagde sub 2] € 612,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiseres] niet op tijd aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiseres] ook de kosten van betekening betalen;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Ebben en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2024.