Uitspraak
1.De procedure
- het tussenvonnis van 17 januari 2024 met de daarin genoemde stukken,
- de mondelinge behandeling van 19 maart 2024, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Partijen sloten in 2005 een huurovereenkomst voor een woning, met een huurprijs die sinds juli 2023 op €700 per maand was vastgesteld. Verhuurder deed een aanbod voor een nieuwe huurovereenkomst, gebaseerd op het ROZ-model, met bepalingen over indexering, boetebepalingen en renovatie.
Huurder weigerde het aanbod omdat het nadelig voor hem was, met name vanwege boetebepalingen die niet eerder waren overeengekomen, onduidelijke bepalingen over renovatie en huurprijsindexering. Verhuurder stelde dat het aanbod redelijk was en dat weigering een opzeggingsgrond vormde.
De kantonrechter beoordeelde het aanbod in zijn geheel en concludeerde dat het aanbod huurder in een nadeligere positie bracht, vooral door de boetebepalingen en onduidelijkheid over renovatieverplichtingen. Verhuurder had onvoldoende belang aangetoond voor deze wijzigingen.
Daarom was het aanbod niet redelijk en was de opzegging onterecht. De vordering tot beëindiging van de huurovereenkomst werd afgewezen en verhuurder werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot beëindiging van de huurovereenkomst wordt afgewezen omdat het aanbod voor een nieuwe huurovereenkomst niet redelijk was.