Uitspraak
1.De procedure
2.Het geschil
- de hoofdsom van € 6.950,00;
- de rente over de hoofdsom;
- de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.302,57;
- de kosten van deze procedure.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eiser stelt dat hij in 2010 een aantal zaken heeft verkocht en geleverd aan gedaagde tegen een koopsom van €6.950,00, die niet is betaald. Gedaagde betwist dit gemotiveerd en stelt dat zij geen zaken heeft gekocht of ontvangen.
De kantonrechter overweegt dat het op de weg van eiser lag om feiten en omstandigheden te stellen waaruit blijkt dat een koopovereenkomst is gesloten. Eiser heeft dit onvoldoende gedaan, onder meer doordat hij niet heeft toegelicht hoe de overeenkomst tot stand is gekomen. Een betwisting door de directeur van gedaagde over het ophalen van zaken bij eiser thuis weegt mee in het oordeel.
Hoewel eiser wijst op een betaling van €2.900,00 door gedaagde in 2010, betekent dit niet dat een volledige koopovereenkomst bestaat waarvoor nog een restant betaald moet worden. De kantonrechter concludeert dat eiser onvoldoende heeft gesteld om zijn vordering te onderbouwen en wijst de vordering af. Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten van gedaagde.
Uitkomst: Vordering tot betaling koopsom uit 2010 wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van koopovereenkomst.