ECLI:NL:RBZWB:2024:3109

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
8 mei 2024
Publicatiedatum
13 mei 2024
Zaaknummer
10898772 CV EXPL 24-300 (T)
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Van 't Nedereind
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230h lid 2 onder b BWArt. 6:230g lid 1 onder o BWArt. 1:1 WftArt. 4:20 WftArt. 7:940 lid 6 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke toewijzing vordering premie fietsverzekering wegens onvoldoende opzegging

Gedaagde sloot via een tussenpersoon een fietsverzekering af bij Unigarant voor twee fietsen. Unigarant vordert betaling van de premie voor de periode 13 juli 2022 tot 13 juli 2023, welke niet is voldaan. Gedaagde stelt dat hij telefonisch in februari 2022 de verzekering heeft opgezegd, maar kan dit niet voldoende onderbouwen. Unigarant heeft voldaan aan haar precontractuele informatieverplichtingen.

De kantonrechter oordeelt dat de opzegging in februari 2022 niet is gebleken, maar dat uit e-mails van oktober 2022 wel een opzegging blijkt. Daarom is gedaagde de premie verschuldigd tot en met oktober 2022, ongeveer 3,5 maand. De gevorderde premie wordt dus gedeeltelijk toegewezen.

Over de buitengerechtelijke incassokosten wordt nog geen oordeel gegeven omdat de kantonrechter eerst hoor en wederhoor wil toepassen over de redelijkheid van het contractuele beding hierover. De zaak wordt verwezen naar een rolzitting voor een akte na tussenvonnis.

Uitkomst: De gevorderde premie wordt gedeeltelijk toegewezen tot en met oktober 2022; verdere beslissing over incassokosten wordt aangehouden.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: 10898772 \ CV EXPL 24-300
Vonnis van 8 mei 2024
in de zaak van
UNIGARANT N.V., MEDE H.O.D.N. ANWB VERZEKEREN,
te 's-Gravenhage,
eisende partij,
hierna te noemen: Unigarant,
gemachtigde: KVN Gerechtsdeurwaarders & Juristen,
tegen
[gedaagde],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De processtukken

1.1.
Deze procedure bevat de volgende stukken:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de akte van Unigarant
- de akte van [gedaagde] .
1.2.
Hierna is bepaald dat er een uitspraak komt.

2.Samenvatting

[gedaagde] heeft via een tussenpersoon met Unigarant een fietsverzekering voor 2 fietsen afgesloten. Unigarant zegt dat [gedaagde] de verschuldigde premie voor de periode van 13 juli 2022 tot 13 juli 2023 niet heeft betaald en vordert betaling hiervan. [gedaagde] is het niet eens met de vordering. [gedaagde] zegt dat hij in februari 2022 via de telefoon aan Unigarant heeft laten weten dat hij de verzekering wilde opzeggen en dat de betreffende medewerkster het voor de rest zou regelen. [gedaagde] ging dan ook ervan uit dat de opzegging geregeld was. Unigarant geeft aan dat er geen opzegging van [gedaagde] bekend is bij haar of de tussenpersoon. De kantonrechter toetst als eerste in deze zaak of Unigarant heeft voldaan aan haar informatieverplichtingen op grond van consument beschermende bepalingen. Door Unigarant is voldoende aangetoond dat dit zo is. De kantonrechter oordeelt in dit geval verder dat [gedaagde] onvoldoende onderbouwd heeft aangevoerd dat de verzekering in februari 2022 is opgezegd. Wel had Unigarant uit de e-mails van 14 en 31 oktober 2022 een opzegging van [gedaagde] moeten begrijpen. Dit betekent dat de kantonrechter in dit geval beslist dat [gedaagde] de gevorderde premie tot en met oktober 2022 moet betalen. Over de bijkomende (buitengerechtelijke incasso)kosten kan de kantonrechter nog geen oordeel geven, omdat partijen zich daar nog over moeten uitlaten. Daarom wordt een tussenvonnis gewezen.
De kantonrechter zal hieronder een toelichting geven op deze beslissing. De kantonrechter zal hierbij bespreken: De feiten, wat partijen willen, de beoordeling en de beslissing in deze zaak.

3.De feiten

3.1.
[gedaagde] heeft in 2013 via een tussenpersoon met Unigarant een fietsverzekering voor twee fietsen afgesloten. Deze verzekering is steeds jaarlijks verlengd.
3.2.
Unigarant heeft een polis aanvraagformulier Doorlopende fietsverzekering overgelegd [1] . In dit formulier wordt (onder andere) verwezen naar de verzekeringsvoorwaarden en premiebetaling en staat een bedenktermijn van veertien dagen vermeld.
3.3.
Ook heeft Unigarant de betreffende algemene voorwaarden overgelegd [2] . In deze voorwaarden staat (onder andere) de looptijd, de bedenktermijn, de opzegmogelijkheden, verwijzing naar het premie- en het verzekerd bedrag op polisblad(en). In de algemene voorwaarden staat onder artikel 9 en Pro 10:
“ 9. Wanneer eindigt de verzekering?
(…) 3. bij verkoop van de fiets.
(…)
10. wanneer krijgt u premie terug?
Bij beëindiging van de verzekering ontvangt u premie terug over de niet verstreken termijn van de verzekering. De administratiekosten brengen wij hierop in mindering (…)”.
3.4.
In het dossier zit een bericht van de tussenpersoon van 7 februari 2022 [3] . In dit bericht staat:
“Beste,
U heeft aangegeven uw polis te willen beeindigen. U kunt uw polis beeindigen via onderstaande link.https://(…).”.
3.5.
Rond 13 juli 2022 is de premie voor de twee fietsen ter hoogte van € 104,60 voor de periode van 13 juli 2022 tot en met 12 juli 2023 afgeschreven bij [gedaagde] . [gedaagde] heeft deze betaling teruggeboekt.
3.6.
In het dossier zit een e-mail van 14 oktober 2022 van [gedaagde] aan TKB Incasso van Unigarant. In deze mail staat:
“Reeds div. keren door gegeven dat de verzekering niet meer van toepassing was. De fietsen zijn niet meer in mijn bezit (…).”
3.7.
In het dossier zit een e-mail van 31 oktober 2022 van [gedaagde] aan TKB Incasso van Unigarant. In deze mail staat:
“Zoals eerder aangegeven is de verzekering op 7 februari opgezegd. Ik telefonisch nog kontakt gehad met [naam] En ze zouden het regelen.(…) Ik heb tijdig aangegeven dat de 2 fietsen niet meer in mij n bezit waren. Ik had nieuwe fietsen aangeschaft en elders verzekert.(…).”.

4.Wat partijen willen

4.1.
Unigarant vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van de openstaande premie ter hoogte van € 104,60, te vermeerderen met rente en kosten.
4.2.
[gedaagde] is het niet eens met deze vordering.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna nader ingegaan, voor zover dat nodig is.

5.De beoordeling

5.1.
De kantonrechter begint in deze zaak met een juridische toets, die ook gedaan moet worden als er op dit punt geen verweer wordt gevoerd door een gedaagde.
Toets consument beschermende bepalingen
5.1.1.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat partijen een verzekeringsovereenkomst hebben gesloten, die is ontstaan doordat [gedaagde] als consument (op afstand) een aanvraagformulier heeft ingevuld of laten invullen. Unigarant moet daarom in dit geval voldoen aan een aantal consument beschermende bepalingen, die voornamelijk bestaan uit (kort gezegd) informatieverplichtingen die gelden vóór of bij het sluiten van een overeenkomst [4] .
5.1.2.
Unigarant zegt (kort gezegd) dat zij heeft voldaan aan haar informatieverplichtingen. Ter onderbouwing hiervan heeft zij verwezen naar het polis aanvraagformulier, de bevestigingsbrief, de polisbladen en de algemene voorwaarden.
5.1.3.
De kantonrechter is van oordeel dat met wat Unigarant heeft gezegd en onderbouwd, voldoende is gebleken dat zij heeft voldaan aan haar wettelijke informatieverplichtingen.
5.2.
De kantonrechter gaat hieronder verder met de hoofdvraag, waarover partijen van mening verschillen.
Is de verzekering opgezegd door [gedaagde] ?
5.2.1.
Standpunt van [gedaagde]
zegt dat hij in februari 2022 telefonisch contact heeft opgenomen met Unigarant en dat hij had aangegeven dat hij de verzekering wilde beëindigen. De fietsen waren namelijk niet meer in zijn bezit. De betreffende medewerkster zei dat ze het zou regelen. Daar is hij van uitgegaan. Hij kreeg later wel een bericht met een link, maar hij begreep niet wat hij daarmee moest. Hij ging namelijk ervan uit dat de opzegging al was geregeld. Daarom heeft hij de premie waar het in deze zaak om gaat teruggeboekt. Toen de aanmaningen kwamen heeft hij steeds verteld dat hij had opgezegd. [gedaagde] is ruim 70 jaar en vindt dat hij juist heeft gehandeld.
5.2.2.
Standpunt van Unigarant
Er is geen opzegging van [gedaagde] bekend bij Unigarant of de tussenpersoon. Unigarant heeft de verzekering dan ook gewoon verlengd en heeft aan [gedaagde] op 6 juni 2022 een nieuwe polis gestuurd, op het adres waar hij ook nu nog woont. [gedaagde] heeft daarop niet gereageerd. Ook toen Unigarant de vervolgpremie bij [gedaagde] incasseerde heeft [gedaagde] geen actie ondernomen, behalve het bedrag te laten terugboeken. Hieruit blijkt dat [gedaagde] wel wist of had behoren te begrijpen dat er nog sprake was van een lopende verzekering.
5.2.3.
Bovendien zou Unigarant een beëindigingspolis hebben gestuurd naar [gedaagde] als zij wel een opzegging zou hebben ontvangen, wat hier niet het geval is. Pas nadat [gedaagde] aanmaningen ontving heeft hij contact opgenomen. Toen Unigarant vroeg naar een bewijs van opzegging heeft [gedaagde] alleen het bericht van de tussenpersoon overgelegd [5] . In dit bericht staat duidelijk dat [gedaagde] via de link kan opzeggen, niet dat dit al is gebeurd. Bovendien is onduidelijk dat het bericht daadwerkelijk betrekking heeft op deze verzekeringsovereenkomst.
Oordeel kantonrechter
5.2.4.
[gedaagde] heeft in dit geval onvoldoende onderbouwd aangevoerd dat hij de overeenkomst in februari 2022 heeft opgezegd. Daarbij weegt het volgende mee. Volgens de wet kon [gedaagde] de verzekering niet alleen schriftelijk maar ook via elektronische weg opzeggen [6] . In dit geval staat vast dat dit niet in februari 2022 is gebeurd. De kantonrechter wil dat [gedaagde] wel geloven dat hij toen heeft gebeld met de mededeling dat hij de verzekering heeft willen opzeggen, maar dit is geen elektronische opzegging. De kantonrechter heeft hierbij begrip voor de leeftijd van [gedaagde] , maar het blijft wel voor zijn rekening en risico dat hij op dat moment ten onrechte ervan uit is gegaan dat de verzekering is beëindigd. Uit het bericht dat [gedaagde] daarna ontving blijkt ook voldoende duidelijk dat [gedaagde] zelf via de link de overeenkomst nog daadwerkelijk moest beëindigen [7] . Dat heeft hij niet gedaan.
5.2.5.
Ook als [gedaagde] van de medewerkster begrepen had dat zij het verder zou regelen, wat in dit geval door Unigarant wordt betwist, lag het op weg van [gedaagde] om te controleren of de opzegging daadwerkelijk is gelukt. Normaal gesproken wordt namelijk een bevestiging van een opzegging gestuurd en het staat vast dat [gedaagde] deze niet heeft gehad.
5.2.6.
Ook heeft [gedaagde] niet weersproken dat hij rond 6 juni 2022 twee brieven met de nieuwe polis voor de fietsen heeft gehad, die beiden zijn gericht aan hem op zijn huidige woonadres [8] . Zeker toen de premie voor deze polis in juli 2022 werd afgeschreven, had [gedaagde] moeten begrijpen dat de verzekering niet was opgezegd en kon hij niet terecht de premie laten terugboeken, zonder op dat moment verdere actie te ondernemen.
5.2.7.
Wel oordeelt de kantonrechter dat Unigarant uit de e-mails van [gedaagde] van 14 en 31 oktober 2022 [9] een opzegging had kunnen en moeten begrijpen. [gedaagde] heeft namelijk voldoende duidelijk in deze e-mails (op elektronische wijze) aangegeven dat de verzekering niet meer van toepassing is omdat de fietsen verkocht zijn. Dit is volgens de algemene voorwaarden van Unigarant een reden voor beëindiging van de verzekering [10] . Mede gelet op artikel 10 van Pro de algemene voorwaarden wijst de kantonrechter in dit geval daarom enkel de gevorderde premie van 13 juli 2022 tot en met oktober 2022 toe. Dit gaat ongeveer om 3,5 maand, waardoor de kantonrechter een bedrag van € 30,51 aan openstaande premie zal toewijzen [11] .
5.3.
De kantonrechter zal hieronder de gevorderde bijkomende kosten bespreken.
Bijkomende kosten
Rente
5.3.1.
De gevorderde rente is inhoudelijk niet weersproken door [gedaagde] en zal worden toegewezen over de toewijsbare hoofdsom.
Buitengerechtelijke incassokosten
5.3.2.
Unigarant vordert een vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Een partij kan ervoor kiezen om bij het vorderen van buitengerechtelijke incassokosten geen beroep te doen op een contractueel beding over deze kosten, maar op een wettelijke bepaling, zoals Unigarant hier doet. Ook dan moet de kantonrechter ambtshalve (uit zichzelf, ook als de gedaagde partij daar niet om vraagt) beoordelen of het beding oneerlijk is jegens de consument in de zin van artikel 3 van Pro richtlijn 93/13 [12] . Dit artikel is in het Nederlandse recht tot uitdrukking gebracht in artikel 6:233 onder Pro a BW, waarin kort gezegd is bepaald dat een beding dat onredelijk bezwarend is ten opzichte van de consument, vernietigbaar is. Als een beding is vernietigd omdat het onredelijk bezwarend is, kan de handelaar ook geen aanspraak maken op de wettelijke vergoeding die zonder dat beding van toepassing zou zijn geweest [13] .
5.3.3.
De kantonrechter constateert dat in artikel 11 lid 3 sub b van Pro de algemene voorwaarden van Unigarant een contractueel beding is opgenomen, waarin kort gezegd staat dat alle kosten voor rekening van [gedaagde] komen, als Unigarant de vordering via een procedure of andere externe procedure moet innen. Dit contractuele beding wijkt dan ook ten nadele van de consument af voor wat betreft het bepaalde in artikel 6:96 BW Pro en het daarop gebaseerde Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (het Besluit). Dit betekent dat het beding wordt vermoed onredelijk bezwarend (en dus oneerlijk) te zijn. Voordat over vernietiging kan worden geoordeeld moet de kantonrechter eerst hoor en wederhoor toepassen, zodat de eisende partij in de gelegenheid zal worden gesteld zich hierover bij akte uit te laten.
5.3.4.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1.
verwijst de zaak naar de rolzitting van
woensdag 22 mei 2024 te 09.00 uur, voor het nemen van een akte na tussenvonnis door Unigarant zoals bedoeld in overweging 5.3.3;
6.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van 't Nedereind en in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2024.

Voetnoten

1.Productie 1 bij dagvaarding.
2.Productie 2 bij dagvaarding.
3.Productie 8 bij dagvaarding.
4.Zie artikelen 6:230h lid 2 onder b jo. 6:230g lid 1 onder o BW jo 1:1 Wft en zie artikel 4:20 Wft Pro en diverse nader uitgewerkte (pre)contractuele informatieverplichtingen uit het BGfo).
5.Productie 8 bij dagvaarding.
6.7:940 lid 6 BW
7.Productie 8 bij dagvaarding.
8.Productie 3 bij dagvaarding.
9.Productie 7 bij dagvaarding.
10.Zie artikel 9 van Pro de algemene voorwaarden.
11.€ 104,60/12 x 3,5 = 30,51.
12.Richtlijn 93/13 EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten.
13.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 27 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:68.