4.3.2De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Vast staat dat ongeveer 4,88 kilogram cocaïne is aangetroffen in een verborgen ruimte in het voertuig met Belgisch [kenteken] , waarvan verdachte de eigenaar was. Ook staat vast dat verdachte wetenschap had van de verborgen ruimte en wist dat zich in de verborgen ruimte een hoeveelheid drugs bevond. Verdachte heeft dit bekend.
De (on)rechtmatigheid van de doorzoeking van het voertuig
De verdediging stelt dat de doorzoeking onrechtmatig is geweest, omdat de omstandigheid dat de bestuurder geen identiteitsbewijs kon overhandigen en de aanwezigheid van zwarte handschoenen en een sterke geurverfrisser in het voertuig onvoldoende is voor een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit.
Anders dan de verdediging, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een rechtmatige doorzoeking en dat bewijsuitsluiting niet aan de orde is. Een opeenstapeling van factoren heeft geleid tot de doorzoeking van het voertuig. In de eerste plaats is het voertuig met daarin de medeverdachte als bestuurder en verdachte als bijrijder, staande gehouden vanwege een signaleringscode. Door de verbalisanten is verder beschreven dat de inzittenden allebei een zenuwachtige indruk maakten, doordat zij snel aan het praten waren en synchroon in koor een verhaal vertelden alsof zij het hadden ingestudeerd.
Vervolgens kon de bestuurder van het voertuig geen identiteitsbewijs overhandigen. Artikel 55b, eerst lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) geeft een opsporingsambtenaar de bevoegdheid om een staande gehouden verdachte aan zijn kleding te onderzoeken, en voorwerpen die de verdachte bij zich draagt of met zich mee voert te onderzoeken, één en ander voor zover zulks noodzakelijk is voor de vaststelling van zijn identiteit. De rechtbank is van oordeel dat de politie alleen al om deze reden onderzoek mocht doen in de kofferbak van de auto als zijnde een plaats waar zich voorwerpen met een identiteitsbewijs kunnen bevinden.
De verbalisanten beschrijven daarnaast dat ze een sterke geurverfrisser en meerdere hand- schoenen zagen liggen in het voertuig. Met toestemming van de bestuurder heeft de politie vervolgens in de laadruimte gekeken. Vanuit zijn expertise met verborgen ruimtes, herkende één van de verbalisanten bepaalde objectieve indicatoren in het voertuig voor de mogelijke aanwezigheid van een verborgen ruimte. Eén daarvan was dat de stof van de achterzijde van de cabine doorliep tot aan de bodemplaat en de andere was dat er materialen waren gebruikt die niet fabrieksmatig in het voertuig aanwezig hoorden te zijn.
De rechtbank is van oordeel dat na deze opeenstapeling van factoren, en met name na het vermoeden van de aanwezigheid van een verborgen ruimte in het voertuig, een redelijk vermoeden van schuld is ontstaan aan overtreding van de Opiumwet. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat dergelijke ruimtes vaak worden gebruikt voor het verbergen van drugs. Daarom acht de rechtbank de doorzoeking van het voertuig rechtmatig.
De rechtbank is van oordeel is dat geen sprake is van een vormverzuim, waardoor geen grond bestaat voor bewijsuitsluiting. Het verweer van de verdediging wordt verworpen.
(Verlengde) uitvoer
Voor een bewezenverklaring van de uitvoer van cocaïne is niet vereist dat de cocaïne daad- werkelijk het grondgebied van Nederland heeft verlaten.
Wel vereist is dat met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de cocaïne een bestemming had in het buitenland, omdat ook het verrichten van handelingen die onder meer zijn gericht op het vervoer, de opslag en aflevering van drugs ook onder het uitvoeren van drugs moet worden verstaan (de zogenoemde “verlengde uitvoer”).
Verdachte en de medeverdachte hebben de Belgische nationaliteit en zijn aangehouden toen zij in de richting van de Belgische grens reden. De medeverdachte, die als bestuurder in het voertuig zat, heeft bij de politie verklaard dat hij vanuit Utrecht naar Antwerpen het stuur had overgepakt. Een week later heeft hij bij de rechter-commissaris verklaard dat hij en verdachte vanuit Utrecht kwamen en dat hij onderweg was naar zijn auto, die in Antwerpen stond. Op grond van het een en ander oordeelt de rechtbank bewezen dat de aangetroffen hoeveelheid cocaïne een bestemming in België had.
De verklaring van verdachte dat hij de drugs moest afleveren op een adres in Breda, oordeelt de rechtbank niet aannemelijk. De informatie die in de navigatieapp Waze op de telefoon van verdachte is gevonden, steunt die verklaring niet. Daarin waren weliswaar twee straatnamen in Breda ingevoerd, maar wanneer deze adressen op de navigatieapp zijn ingevoerd is niet duidelijk geworden. Bovendien stonden daarin ook Belgische adressen. Daar komt bij dat verdachte zelf heeft verklaard dat hij is benaderd door personen om drugs te vervoeren vanwege zijn Belgische nationaliteit. Daarmee strookt niet dat hij de drugs naar Breda diende te vervoeren.
Conclusie
De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde (verlengde) uitvoer van circa 4,88 kilogram cocaïne.
Voor het overige zal verdachte partieel worden vrijgesproken.
Medeplegen
De rechtbank zal verdachte ook partieel vrijspreken van het onderdeel “medeplegen”, omdat het dossier daarvoor geen objectieve bewijsmiddelen bevat.