Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
5.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan het ten laste gelegde feit.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 19 april 2024 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van medeplegen van voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne. Verdachte was niet aanwezig, maar werd vertegenwoordigd door zijn raadsman. De officier van justitie stelde dat verdachte met criminele intentie handelde, gebaseerd op diverse aanwijzingen zoals duikuitrusting, telefoongegevens en de locatie nabij een koelschip uit Zuid-Amerika.
De verdediging voerde aan dat er geen concreet bewijs was dat verdachte opzettelijk handelde met betrekking tot drugsinvoer, omdat er geen drugs of directe aanwijzingen voor cocaïne aan boord van het schip waren gevonden. De rechtbank stelde vast dat hoewel de omstandigheden verdacht waren en de spullen op verdachte en medeverdachten toebehoorden, er geen concreet bewijs was dat het ging om cocaïne of andere drugs.
De rechtbank oordeelde dat de feiten onvoldoende waren om het bestanddeel cocaïne als bedoeld in de Opiumwet bewezen te verklaren. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van het ten laste gelegde feit van voorbereidingshandelingen voor de invoer van cocaïne. Het vonnis werd uitgesproken op 3 mei 2024 door de meervoudige kamer.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens ontbreken van bewijs voor het bestanddeel cocaïne.