Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 april 2024 in de zaak tussen
[belanghebbende] B.V. , gevestigd te [plaats 1] , belanghebbende,
Inleiding
- [adres 1] - € 1.261.000 (het object)
- [adres 2] - € 516.000 (de woning).
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende betwistte de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarden van twee onroerende zaken te Breda, te weten een kinderdagverblijf en een bovenwoning, met waardepeildatum 1 januari 2021. De heffingsambtenaar had de waarde van het kinderdagverblijf vastgesteld via de huurwaardekapitalisatiemethode en de bovenwoning via de vergelijkingsmethode.
De rechtbank beoordeelde of de waarderingen niet te hoog waren vastgesteld. De heffingsambtenaar onderbouwde de waardes met taxatierapporten en referentieobjecten, waarbij de verschillen tussen de objecten en referenties werden meegenomen in de waardeberekening. Belanghebbende voerde aan dat de gehanteerde factoren en vergelijkingsobjecten niet passend waren en dat de onderbouwing van de cijfers ontbrak.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk had gemaakt dat de WOZ-waarden niet te hoog waren vastgesteld. De door belanghebbende voorgestelde lagere waarde was onvoldoende onderbouwd. De beroepen werden daarom ongegrond verklaard en de aanslagen onroerendezaakbelasting en watersysteemheffing voor 2022 bleven gehandhaafd.
Uitkomst: De beroepen tegen de vastgestelde WOZ-waarden en aanslagen worden ongegrond verklaard en de aanslagen blijven gehandhaafd.