Uitspraak
1.[gedaagde 1] ,
2.
[gedaagde 2],
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
In deze zaak staat een huurovereenkomst voor een bedrijfsruimte centraal waarbij de huurders een aanzienlijke huurachterstand hebben opgebouwd. De huurovereenkomst begon op 1 januari 2023 en de huurders leverden de sleutels in per eind januari 2024, waarmee de overeenkomst per 1 februari 2024 eindigde.
De verhuurder vordert betaling van de huurachterstand, incassokosten en wettelijke rente. De huurders erkennen de achterstand maar beroepen zich op opschorting vanwege lekkages in het gehuurde, waardoor zij hun onderneming beperkt konden exploiteren.
De kantonrechter stelt vast dat de huurprijs in de dagvaarding onjuist is berekend en past deze aan. Gelet op het bewijs van lekkages wordt de huurachterstand voor de periode september 2023 tot en met januari 2024 gematigd tot 50%. Daarnaast wordt een huurkorting in maart 2023 in aanmerking genomen.
Uiteindelijk wordt een bedrag van €7.944,75 aan huurachterstand toegewezen, vermeerderd met wettelijke handelsrente en incassokosten van €772,24. De proceskosten worden gecompenseerd, zodat iedere partij haar eigen kosten draagt. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Gedaagden worden veroordeeld tot betaling van €8.716,99 plus wettelijke rente, met proceskostencompensatie.