ECLI:NL:RBZWB:2024:269

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 januari 2024
Publicatiedatum
19 januari 2024
Zaaknummer
10519278 CV EXPL 23-1216
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Van den Boom
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 150 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering zorgverzekeraar wegens niet bewezen zorgverzekeringsovereenkomst

VGZ vordert betaling van een bedrag van € 500,- vermeerderd met wettelijke rente van [gedaagde], stellende dat tussen partijen een zorgverzekeringsovereenkomst heeft bestaan en dat [gedaagde] in gebreke is gebleven met het betalen van premies en zorgkosten over de periode 2006-2011.

[gedaagde] betwist het bestaan van de overeenkomst en voert tevens verjaring aan. VGZ heeft haar stelling onvoldoende onderbouwd, aangezien zij niet beschikt over het polisblad of andere bewijsstukken die het bestaan van de overeenkomst aantonen.

De rechtbank oordeelt dat VGZ niet heeft voldaan aan haar stelplicht en bewijslast en dat het bestaan van de zorgverzekeringsovereenkomst niet is komen vast te staan. De vordering wordt daarom afgewezen.

De rechtbank laat de verjaring onbesproken en veroordeelt VGZ in de proceskosten van € 200,-. De proceskostenveroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De vordering van VGZ wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van de zorgverzekeringsovereenkomst.

Uitspraak

RECHTBANKZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer: 10519278 \ CV EXPL 23-1216
Vonnis van 17 januari 2024
in de zaak van
VGZ ZORGVERZEKERAAR N.V.,
te Arnhem,
eisende partij,
hierna te noemen: VGZ,
gemachtigde: Inkassier,
tegen
[gedaagde],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. M. Harte.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, met producties,
- de conclusie van antwoord,
- de conclusie van repliek, met producties,
- de conclusie van dupliek, met producties,
- de akte uitlaten producties van VGZ.
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.Het geschil

2.1
VGZ vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 500,-, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 9 mei 2023 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten en de nakosten.
2.2
VGZ legt aan haar vordering ten grondslag dat tussen partijen een zorgverzekeringsovereenkomst heeft bestaan, op grond waarvan [gedaagde] gehouden is de maandelijkse premies en eigen bijdragen te voldoen. [gedaagde] is in gebreke gebleven met de betaling van door hem verschuldigde bedragen aan premies, zorgkostenfacturen en acceptgirokosten over de periode januari 2006 t/m november 2011, tot een bedrag van
€ 6.864,78. Aangezien [gedaagde] door de tekortkoming in de nakoming van zijn betalingsverplichting in verzuim is geraakt, vordert VGZ de wettelijke rente, welke tot 4 mei 2023 € 2.728,34 bedraagt. Daarnaast vordert VGZ de buitengerechtelijke incassokosten van € 853,64 inclusief btw. VGZ beperkt haar vordering om haar moverende redenen tot een bedrag van € 500,- aan hoofdsom en reserveert daarbij uitdrukkelijk al haar rechten met betrekking tot de invordering van het resterende deel van de vordering.
2.3
[gedaagde] betwist de vordering en concludeert tot afwijzing van de vordering met veroordeling van VGZ in de proceskosten. Hij betwist het bestaan van de zorgverzekeringsovereenkomst tussen partijen, zodat hij geen premies en vergoedingen is verschuldigd. Indien hij wel bedragen verschuldigd zou zijn dan geldt dat de vorderingen zijn verjaard, nu de laatst gedateerde vordering dateert van 18 november 2011 en de verjaring niet is gestuit.
2.4
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

3.De beoordeling

3.1
Ingevolge artikel 150 Rv Pro draagt VGZ de stelplicht en de bewijslast van haar stelling dat tussen partijen een zorgverzekeringsovereenkomst tot stand is gekomen.
3.2
VGZ heeft die stelling bij dagvaarding enkel onderbouwd met een overzicht van openstaande bedragen in de periode januari 2006 t/m november 2011 bestaande uit premies, kosten farmacie en kosten acceptgiro. Gelet op de betwisting van [gedaagde] mocht van VGZ verwacht worden dat zij haar stelling (nader) zou onderbouwen. Dat heeft zij niet gedaan. Zij heeft bij repliek volstaan met de mededeling dat zij niet meer beschikt over het destijds verstrekte polisblad (en kennelijk ook niet over de daarop volgende jaarlijkse verlengingen daarvan) en heeft erop gewezen dat de vergoedingen die zij namens [gedaagde] aan verschillende zorgverleners heeft uitgekeerd, alleen bij haar terecht kunnen zijn gekomen doordat [gedaagde] aan de betreffende zorgverleners heeft doorgegeven onder de in de dagvaarding benoemde polis verzekerd te zijn geweest. Zij heeft verder nog aangevoerd dat [gedaagde] verplicht verzekerd was en dat gesteld noch gebleken is dat hij in de betreffende periode elders verzekerd was.
3.3
Nu VGZ niet in staat is de door haar gestelde overeenkomst (polis) over te leggen en zij het bestaan van de overeenkomst op geen enkele andere wijze heeft onderbouwd, luidt de conclusie dat in deze procedure niet komt vast te staan dat tussen VGZ en [gedaagde] een zorgverzekeringsovereenkomst tot stand is gekomen. De stelling van VGZ dat in deze procedure niet is gesteld of gebleken dat de verplichte zorgverzekering met een andere zorgverzekeraar is afgesloten maakt dat oordeel niet anders, omdat het primair op de weg van VGZ ligt om de grondslag van haar vordering aan te tonen. De conclusie is dan ook dat de vordering van VGZ als niet bewezen wordt afgewezen.
3.4
Al hetgeen partijen hebben gesteld over de (vermeende) verjaring van de vordering kan hiermee onbesproken blijven.
3.5
VGZ is de partij die ongelijk krijgt en zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. Tot aan dit vonnis worden de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] als volgt vastgesteld:
- salaris gemachtigde
160,00
(2,00 punten × € 80,00)
- nakosten
40,00
Totaal
200,00

4.De beslissing

De kantonrechter
wijst de vordering af,
veroordeelt VGZ in de proceskosten van € 200,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als VGZ niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet VGZ ook de kosten van betekening betalen,
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van den Boom en in het openbaar uitgesproken op
17 januari 2024.