ECLI:NL:RBZWB:2024:2569

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
17 april 2024
Publicatiedatum
18 april 2024
Zaaknummer
C/02/419823 / HA ZA 24-126
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Eijssen-Vruwink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 237 lid 3 RvArt. 6:119a BWArt. 53 Verordening (EU) nr. 1215/2012
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling onbetaalde facturen en proceskosten met afgifte Europees executoriale titel

In deze bodemprocedure vordert eiser betaling van onbetaalde facturen van meerdere gedaagden, waaronder een natuurlijk persoon en drie besloten vennootschappen. De procedure kent een internationaal karakter doordat een gedaagde in Duitsland woont, maar de rechtbank verklaart zich bevoegd vanwege vestiging van een van de gedaagden binnen haar rechtsgebied.

De rechtbank wijst de vordering tot betaling van proceskosten uit eerdere procedures af, omdat deze reeds eerder zijn toegewezen en er een executoriale titel bestaat. Ook worden de proceskosten van het lopende hoger beroep afgewezen omdat deze nog niet zijn gemaakt ten tijde van het vonnis.

De rechtbank veroordeelt de gedaagden hoofdelijk tot betaling van de hoofdsommen inclusief buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente. Tevens wordt een dwangsom opgelegd aan de natuurlijke persoon. Daarnaast wordt het verzoek om afgifte van een certificaat ex artikel 53 van Pro Verordening (EU) nr. 1215/2012 toegewezen, waarmee een Europese executoriale titel wordt verstrekt.

Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde is afgewezen. De gedaagden zijn niet verschenen in de procedure, waardoor verstek is verleend.

Uitkomst: Gedaagden worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van onbetaalde facturen met rente en proceskosten, en een Europees executoriale titel wordt verstrekt.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Cluster II Handelszaken
Breda
zaaknummer / rolnummer: C/02/419823 / HA ZA 24-126
Vonnis van 17 april 2024
in de zaak van
[eiser],
H.O.D.N. [bedrijf van eiser],
wonende te [plaats] ,
eiser,
advocaat mr. S.N. Peijnenburg te Purmerend,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

wonende te [adres] ,
2.
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ANIMAL HEALTH EUROPE B.V.,
gevestigd te Nijmegen, kantoorhoudende te (5431 NV) Cuijk aan de De Nieuwe Erven 3,
3.
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HB FUTURE B.V.,
gevestigd te Breda, kantoorhoudende te (5431 NV) Cuijk aan de De Nieuwe Erven 3,
4.
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid VETERINARY ENTERPRISES EUROPE B.V.,
gevestigd te Nijmegen, kantoorhoudende te (5431 NV) Cuijk aan de De Nieuwe Erven 3,
gedaagden,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
a. de dagvaarding van 9 februari 2024 met producties;
b. het tegen gedaagden verleende verstek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

2.1.
Nu gedaagde sub 1 woonachtig is te Duitsland en onderhavige procedure uit dien hoofde een internationaal karakter draagt, dient allereerst de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vordering kennis te nemen.
De rechtbank beantwoord deze vraag bevestigend, omdat gedaagde sub 3 binnen het rechtsgebied van de rechtbank gevestigd is.
2.2.
Het gevorderde komt de rechtbank voor het overige niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal als volgt worden toegewezen, behoudens het volgende.
2.3.
Ten aanzien van de gevorderde proceskosten van het hoger beroep overweegt de rechtbank dat deze zullen worden afgewezen. Ingevolge artikel 237 lid 3 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt het bedrag van de kosten waarin de verliezende partij wordt veroordeeld bij het vonnis vastgesteld, voor zover die kosten vóór de uitspraak zijn gemaakt. Daarvan is bij de proceskosten van het hoger beroep (nog) geen sprake; dit zijn immers kosten die ná het vonnis (volledig) worden gemaakt. Ten tijde van het vonnis staat nog niet vast of deze kosten zullen worden gemaakt en zo ja, in welke omvang.
2.4.
Voorts vordert eiser een totaalbedrag van € 4.438,00 aan toegewezen proceskosten in een tweetal eerder gevoerde procedures. Deze kosten zullen worden afgewezen, omdat de voornoemde kosten al eerder zijn toegewezen. Er is al een executoriale titel verkregen.
2.5.
Gedaagden zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij hoofdelijk in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van eiser worden vastgesteld op:
- dagvaarding € 232,99
- griffierecht 1.325,00
- salaris advocaat
1.214,00(1,0 punt × tarief € 1.214,00)
Totaal € 2.771,99
2.6.
De gevorderde hoofdelijke veroordeling in het nasalaris is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. Het nasalaris dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in overweging 3.7. van de beslissing vermeld.
2.7.
Uit punt 31 van het lichaam van de dagvaarding volgt dat eiser de rechtbank verzoekt om een certificaat af te geven als bedoeld in artikel 53 Verordening Pro (EU) nr. 1215/2012. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 53 zal Pro de verzochte Europese executoriale titel worden verstrekt in de vorm van het in bijlage I van deze verordening opgenomen standaardformulier dat tegelijk met dit vonnis zal worden toegezonden.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
veroordeelt gedaagde sub 2 om aan eiser te betalen een bedrag van € 3.701,89 (inclusief buitengerechtelijke incassokosten), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het bedrag van € 3.251,72 vanaf de opeisbaarheid tot de dag van volledige betaling;
3.2.
veroordeelt gedaagde sub 3 om aan eiser te betalen een bedrag van € 15.179,80 (inclusief buitengerechtelijke incassokosten), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het bedrag van € 14.262,18 vanaf de opeisbaarheid tot de dag van volledige betaling;
3.3.
veroordeelt gedaagde sub 4 om aan eiser te betalen een bedrag van € 23.431,07 (inclusief buitengerechtelijke incassokosten), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het bedrag van € 22.431,75 vanaf de opeisbaarheid tot de dag van volledige betaling;
3.4.
veroordeelt gedaagde sub 1 hoofdelijk – als de een betaalt, is de ander bevrijd – om aan eiser te betalen een bedrag van € 42.312,76 (inclusief buitengerechtelijke incassokosten), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het bedrag van € 39.945,65 vanaf de opeisbaarheid tot de dag van volledige betaling;
3.5.
veroordeelt gedaagde sub 1 om aan eiser te betalen een bedrag van € 50.000,00 aan (maximaal) verbeurde dwangsommen;
3.6.
veroordeelt gedaagden hoofdelijk – als de een betaalt, zal de ander zijn bevrijd – in de proceskosten, aan de zijde van eiser tot op heden vastgesteld op € 2.771,99;
3.7.
veroordeelt gedaagden hoofdelijk – als de een betaalt, zal de ander zijn bevrijd –, onder de voorwaarde dat gedaagden niet binnen veertien dagen na aanschrijving door eiser aan het vonnis hebben voldaan, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 178,00 aan salaris advocaat;
3.8.
wijst het verzoek tot afgifte van het certificaat ex artikel 53 Verordening Pro (EU) nr. 1215/2012 toe;
3.9.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.10.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Eijssen-Vruwink en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2024.