Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 april 2024 in de zaak tussen
[belanghebbende], uit [plaats], belanghebbende,
.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van een object bestaande uit een woning, camping en diverse bijgebouwen, met een waardepeildatum van 1 januari 2021. De heffingsambtenaar had de waarde vastgesteld op €535.000 en handhaafde deze na bezwaar. Belanghebbende stelde dat de waarde te hoog was en pleitte voor een lagere waarde van €423.880.
De rechtbank onderzocht onder meer het gebruik van kengetallen uit de Taxatiewijzer Agrarisch versus Recreatie, de aanwezigheid van asbest, de verkoopbaarheid van de woning, de bestemming van gronden, en de opname van een loods en receptie in de waardering. De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar terecht de agrarische kengetallen gebruikte, voldoende rekening hield met asbestkosten, en dat de woning niet los verkocht kon worden.
Hoewel de rechtbank het onterecht vond dat een loods en receptie waren meegenomen in de waardering, was dit onvoldoende om de vastgestelde waarde te verlagen. De rechtbank concludeerde dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld en verklaarde het beroep ongegrond, waardoor de aanslag OZB gehandhaafd blijft.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde en de aanslag OZB wordt ongegrond verklaard en de aanslag gehandhaafd.