Uitspraak
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
5.De benadeelde partijen
6.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Op 1 januari 2024 vond een geweldsincident plaats in een woning te Breda waarbij drie slachtoffers werden geslagen met een ploertendoder. Verdachte werd aangewezen als dader door de slachtoffers, maar hun verklaringen vertoonden onderlinge inconsistenties en waren deels zonder tolk afgenomen, wat de betrouwbaarheid aantastte.
De rechtbank stelde vast dat het signalement van de dader niet overeenkwam met dat van verdachte, onder meer omdat de dader volgens enkele getuigen een bril droeg en een ander kapsel had. De fotoconfrontatie werd minder zwaar gewogen omdat de slachtoffers vooraf een foto van verdachte hadden gezien, wat herkenning kon beïnvloeden.
Er was geen aanvullend objectief bewijs dat verdachte de dader was. De verdediging voerde aan dat de verklaringen onvoldoende betrouwbaar waren en dat sprake was van een vormverzuim vanwege het ontbreken van tolkbijstand. De rechtbank oordeelde dat niet wettig en overtuigend kon worden bewezen dat verdachte de feiten had gepleegd en sprak hem vrij.
De benadeelde partijen vorderden schadevergoedingen, maar deze werden niet-ontvankelijk verklaard omdat verdachte werd vrijgesproken. De vorderingen kunnen bij de burgerlijke rechter worden ingediend.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 17 april 2024.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs van poging tot doodslag.