Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Procesverloop
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 7 maart 2024 het verzoek van de officier van justitie tot verlenging van een crisismaatregel ingevolge artikel 7:7 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) ten aanzien van betrokkene, die verblijft in een GGZ-accommodatie. De crisismaatregel was op 5 maart 2024 opgelegd en het verzoek tot voortzetting werd ondersteund door medische verklaringen en justitiële documentatie.
Tijdens de mondelinge behandeling waren betrokkene, haar advocaat, een broer, een arts-assistent en verpleegkundigen aanwezig. Betrokkene reageerde niet op vragen en vertoonde gedesoriënteerd gedrag. De arts-assistent en verpleegkundige gaven aan dat betrokkene een ernstige psychische stoornis heeft, vermoedelijk schizofreniespectrum- en andere psychotische stoornissen, met risico’s voor zichzelf en anderen. De broer bevestigde de ernstige toestand na een periode van vermissing.
De rechtbank oordeelde dat er sprake is van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel, veroorzaakt door de psychische stoornis, en dat de gevraagde zorgvormen - toedienen van medicatie, medische controles, beperking van bewegingsvrijheid en opname in een accommodatie - noodzakelijk en proportioneel zijn. Andere gevraagde zorgvormen werden afgewezen wegens gebrek aan noodzaak. Betrokkene verzet zich tegen de zorg, en er zijn geen minder bezwarende alternatieven.
De rechtbank verleende daarom de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel tot en met 28 maart 2024, met de genoemde zorgvormen als verplichte zorg. Tegen deze beschikking staat cassatie open.
Uitkomst: De rechtbank verleent machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel met noodzakelijke zorgvormen tot en met 28 maart 2024.