Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2024:1847

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
19 maart 2024
Publicatiedatum
19 maart 2024
Zaaknummer
02/018317-23
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Taakstraf voor openlijk geweldplegen in vereniging tegen slachtoffer

Op 18 april 2022 heeft verdachte samen met anderen openlijk geweld gepleegd tegen een slachtoffer op de Heuvelring in Tilburg. Het geweld bestond uit het vastpakken, tegen de grond gooien, slaan, trappen en het vasthouden van het slachtoffer. Verdachte heeft dit feit bekend en er is geen sprake van strafuitsluitingsgronden.

De rechtbank acht het niet wettig en overtuigend bewezen dat het aan het slachtoffer toegebrachte letsel door verdachte is veroorzaakt, waardoor verdachte daarvan vrijgesproken wordt. Wel is bewezen dat verdachte openlijk geweld heeft gepleegd in vereniging.

De rechtbank legt een taakstraf van 100 uur op, waarvan 40 uur voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar. Als bijzondere voorwaarden gelden een meldplicht bij de reclassering en deelname aan een gedragsinterventie (CoVa-training). De straf houdt rekening met de ernst van het feit, het recidiverisico, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het tijdsverloop sinds het feit.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een taakstraf van 100 uur, waarvan 40 uur voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden, wegens openlijk geweldplegen in vereniging.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02/018317-23
vonnis van de meervoudige kamer van 19 maart 2024
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 1997 te [geboorteplaats]
ingeschreven in de BRP aan het [woonadres]
raadsman mr. M.C.J. Heinen, advocaat te Roosendaal.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 5 maart 2024, waarbij de officier van justitie, mr. M.P. de Graaf, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat
verdachte op 18 april 2022 in Tilburg samen met anderen openlijk geweld tegen [slachtoffer] heeft gepleegd.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde geweldshandelingen heeft begaan. Hij vordert partiële vrijspraak voor het ten laste gelegde letsel, omdat onvoldoende uit het dossier blijkt welke letsel verdachte heeft veroorzaakt.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging refereert zich ten aanzien van de geweldshandelingen aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van het toegebrachte letsel wordt bepleit verdachte partieel vrij te spreken overeenkomstig de eis van de officier van justitie.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1
De bewijsmiddelen
Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis zal worden gehecht.
4.3.2
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat het aan het slachtoffer toegebrachte letsel is ontstaan door de geweldshandelingen van verdachte. De rechtbank zal verdachte daarvan zonder nadere motivering vrijspreken.
Omdat verdachte het ten laste gelegde feit heeft bekend en door de verdediging geen verweer is gevoerd dat strekt tot vrijspraak, zal worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en acht de rechtbank dit feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd tijdens de zitting van 5 maart 2024;
- de verklaring van aangeefster [slachtoffer] , d.d. 18 april 2022, pagina’s 10 e.v. van het eindproces-verbaal met registratienummer PL2000-2022098316 van de politie eenheid Zeeland-West-Brabant, district Hart van Brabant;
- het proces-verbaal van bevindingen nummer 4 van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , d.d. 18 april 2022, pagina’s 17 e.v. van het eindproces-verbaal met registratienummer PL2000-2022098316 van de politie eenheid Zeeland-West-Brabant, district Hart van Brabant.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
op 18 april 2022 te Tilburg openlijk, te weten op de Heuvelring, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] , welk geweld bestond uit het:
- met kracht vast pakken bij het hoofd, althans het lichaam, van die [slachtoffer] en vervolgens
- met kracht tegen de grond gooien en trappen van die [slachtoffer] en vervolgens
- meermalen slaan en trappen tegen het lichaam van die [slachtoffer] -terwijl die [slachtoffer] op de grond lag- en
- op de grond houden van die [slachtoffer] en vervolgens liggen op die [slachtoffer] en
- over de grond trekken aan de arm van die [slachtoffer] en
- met kracht geven van een knietje tegen het hoofd van die [slachtoffer] .
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in haar verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van een maand geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar met als bijzondere voorwaarden de meldplicht en CoVa-training. Ook vordert hij op te leggen een taakstraf voor de duur van 80 uur, subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt te volstaan met oplegging van een deels voorwaardelijke taakstraf.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
De straf die aan verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging in vereniging tegen een persoon. Zowel verdachte als haar mededaders hebben geweld gebruikt tegen het slachtoffer en het slachtoffer heeft daaraan pijn en letsel overgehouden. Door het geweld is een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en is haar gevoel van veiligheid aangetast. Daarnaast veroorzaakt geweld op de openbare weg maatschappelijke onrust en algemene gevoelens van onveiligheid. De rechtbank rekent dit verdachte aan.
Gezien de ernst van het feit zal de rechtbank een taakstraf van de hierna te noemen duur opleggen. Bij het bepalen van de duur van de taakstraf houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Uit het reclasseringsrapport komt naar voren dat er sprake is van meerdere risicofactoren, zoals het sociale netwerk, middelengebruik en psychosociaal functioneren. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat zij van haar sociale netwerk en het middelengebruik afscheid heeft genomen. Hoewel het recidiverisico wordt ingeschat als laag gemiddeld, adviseert de reclassering een forensisch kader. De positieve veranderingen in het leven van verdachte zijn nog te recent om te kunnen spreken van structurele stabiliteit. Een gedragsinterventie kan verdachte helpen bij het maken van pro sociale keuzes. Verdachte heeft ter zitting verklaard de CoVa-training te willen volgen. Ook geeft zij openheid van zaken over haar aandeel in het strafbare feit en neemt zij daarmee verantwoordelijkheid. Zij geeft aan spijt te hebben van wat er is gebeurd, hetgeen op de rechtbank oprecht overkomt. De rechtbank weegt dit in strafverminderende zin mee. Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat zij niet eerder is veroordeeld. Ten slotte houdt de rechtbank ook rekening met het tijdsverloop in de strafprocedure. Het feit is bijna twee jaar geleden gepleegd. Omdat verdachte de afgelopen twee jaar niet meer in aanraking is gekomen met politie en justitie acht de rechtbank een proeftijd van een jaar passend.
Dit alles afwegend legt de rechtbank aan verdachte een taakstraf op voor de duur van 100 uur, waarvan 40 uur voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar met daaraan gekoppeld als bijzondere voorwaarden de meldplicht en de CoVa-training.

7.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 141 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8.De beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een taakstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen vervangende hechtenis, waarvan 40 uren, subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van een jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van deze taakstraf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd na te melden voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als
bijzondere voorwaarden:
* dat verdachte zich meldt bij Reclassering Nederland en zich daarna gedurende een door de reclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) zal blijven melden, zo lang en zo vaak als de reclassering noodzakelijk acht;
* dat verdachte gedurende de proeftijd deelneemt aan de gedragsinterventie CoVa of een andere training die is gericht op cognitieve vaardigheden te bepalen door de reclassering, waarbij verdachte zich dient te houden aan de aanwijzingen zoals die gedurende deze gedragsinterventie door of namens voornoemde instelling aan verdachte zullen worden gegeven;
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;
* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.L.J. Martens, voorzitter, mr. C.H.W.M. Sterk en
mr. C. Phillips, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.W. Schalk, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 19 maart 2024.
De oudste rechter is niet in staat dit vonnis mede te ondertekenen.