De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 7 maart 2024 uitspraak gedaan over de vordering van de officier van justitie tot wijziging en aanvulling van de voorwaarden bij de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel van een veroordeelde uit 2000.
De veroordeelde was in 2021 veroordeeld tot een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel wegens overtreding van artikel 273f Sr, welke in 2023 voorwaardelijk werd beëindigd. De officier van justitie verzocht om aanvullende voorwaarden en wijziging van de toezichthouder naar Reclassering Nederland, mede op advies van de reclassering zelf, die meer grip wil houden op de verschillende leefgebieden van de veroordeelde.
De veroordeelde en zijn raadsvrouw verzetten zich tegen de uitbreiding van voorwaarden, stellende dat hij zich goed aan de huidige voorwaarden houdt en dat extra voorwaarden emotioneel belastend zijn. De rechtbank oordeelt echter dat de aanvullende voorwaarden gewenst zijn om de voorwaardelijke beëindiging goed te laten verlopen en de reclassering voldoende handvatten te geven om toezicht te houden.
De rechtbank wijst de vordering toe, stelt Reclassering Nederland aan als toezichthouder en legt aanvullende voorwaarden op zoals meewerken aan toezicht, niet naar het buitenland gaan zonder toestemming, ambulante behandeling, begeleid wonen, en dagbesteding. De voorwaarde van meewerken aan middelencontrole wordt niet opgenomen omdat de veroordeelde hier volwassen mee omgaat.
De beslissing is genomen in aanwezigheid van de griffier en uitgesproken in het openbaar.