Belanghebbende, eigenaar van een bedrijfswoning, maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €542.000, welke door de heffingsambtenaar was verlaagd naar €490.000. De rechtbank beoordeelde het beroep en stelde vast dat de heffingsambtenaar onvoldoende had onderbouwd hoe rekening was gehouden met de waardedrukkende bestemming bedrijfswoning, ondanks een toegepaste correctie voor ligging.
Belanghebbende stelde een lagere waarde van €450.000 voor, maar kon dit niet aannemelijk maken vanwege een afwijkende waardepeildatum en onvoldoende vergelijkbaarheid van referentiewoningen. De rechtbank stelde daarom de waarde schattenderwijs vast op €465.000.
De aanslag onroerendezaakbelasting werd dienovereenkomstig verminderd en de heffingsambtenaar werd verplicht het griffierecht aan belanghebbende te vergoeden. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
De uitspraak is gedaan door rechter C.A.F. van Ginneken op 7 maart 2024 en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.