Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.[verzoeker 1] ,
[verzoeker 2],
[verzoeker 3],
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Verzoekers, als vereffenaar van de beneficiair aanvaarde nalatenschap van de overledene, hebben op grond van artikel 4:209 BW Pro verzocht om opheffing van de vereffening wegens de geringe waarde van de baten van de nalatenschap.
De rechtbank heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van de overgelegde vermogensbeschrijving en constateert dat de baten zodanig gering zijn dat opheffing gerechtvaardigd is. De kosten van de vereffening worden vastgesteld op €936,60, waarbij de griffierechten niet tot de vereffeningskosten worden gerekend.
De opheffing wordt gepubliceerd in de digitale Staatscourant en ingeschreven in het boedelregister. Het verzoek tot meer of anders is afgewezen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en is uitgesproken op 6 maart 2024.
Uitkomst: De rechtbank beveelt opheffing van de vereffening en stelt de vereffeningskosten vast op €936,60.