Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
voor wat betreft medische behandeling)
verl. ondertoezichtstelling en verl. uithuisplaatsing)
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 14 februari 2024 twee zaken betreffende een minderjarige met complexe problematiek. De Gecertificeerde Instelling (GI) verzocht om gedeeltelijke overdracht van het gezag voor medische behandeling en verlenging van ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing. De minderjarige vertoont onder meer seksueel wervend gedrag, ASS en meerdere verblijfwisselingen.
De kinderrechter constateerde dat de moeder en vader behoorlijk waren opgeroepen, maar niet verschenen. De minderjarige was ook niet aanwezig bij het kindgesprek. De GI onderbouwde het verzoek met de problematiek van de minderjarige en het ontbreken van toestemming van de moeder voor behandeling bij behandelgroepen. De vader stemde in met behandeling en verblijf.
De rechtbank oordeelde dat de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing verlengd moesten worden vanwege de ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de minderjarige en het ontbreken van voldoende zorgacceptatie. De overdracht van het gezag werd echter afgewezen omdat een eenmalige vervangende toestemming op grond van artikel 1:265h BW volstaat en de moeder inmiddels mondeling toestemming had gegeven. De GI had een onjuiste wettelijke grondslag gekozen.
De verlengingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard gezien het belang van snelle uitvoering. De beschikking is mondeling gegeven en schriftelijk vastgesteld op 29 februari 2024.
Uitkomst: Verlenging ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing voor een jaar; verzoek overdracht gezag medische behandeling afgewezen.