ECLI:NL:RBZWB:2024:1377

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
5 maart 2024
Publicatiedatum
4 maart 2024
Zaaknummer
02-255048-22
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor medeplegen van valsheid in geschrift, witwassen en voorhanden hebben van een vuurwapen

Op 5 maart 2024 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van het medeplegen van valsheid in geschrift, witwassen en het voorhanden hebben van een vuurwapen. De zaak werd inhoudelijk behandeld op 30 oktober en 6 en 7 november 2023. De verdachte werd beschuldigd van het opmaken van een valse arbeidsovereenkomst op 14 april 2021, het witwassen van € 9.600,- in de periode van 30 maart tot 1 augustus 2021, het voorhanden hebben van een vuurwapen op 11 oktober 2022, en het witwassen van € 12.905,- op dezelfde datum. De rechtbank oordeelde dat de verdachte samen met medeverdachten handelde en dat er voldoende bewijs was voor de beschuldigingen. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 8 maanden op, met verbeurdverklaring van het witgewassen geldbedrag van € 12.905,-. De rechtbank oordeelde dat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan het medeplegen van valsheid in geschrift en witwassen, en dat er sprake was van medeplegen bij het voorhanden hebben van een vuurwapen. De rechtbank weigerde het verzoek van de verdediging om een lichtere straf en hield rekening met de ernst van de feiten en de combinatie daarvan.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-255048-22
vonnis van de meervoudige kamer van 5 maart 2024
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1960
wonende te [woonadres]
raadsvrouw mr. K.C. van de Wijngaart, advocaat te Rotterdam

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 30 oktober 2023 en 6 en 7 november 2023, waarbij de officieren van justitie, mr. E.H. Smale en mr. S. Massier, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Het onderzoek is gesloten op 5 maart 2024.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
1: op 14 april 2021 samen met een ander valsheid in geschrift heeft gepleegd door een valse arbeidsovereenkomst op te maken;
2: in de periode van 30 maart 2021 tot en met 1 augustus 2021 samen met een ander € 9.600,- heeft witgewassen;
3: op 11 oktober 2022 samen met een ander een vuurwapen voorhanden heeft gehad;
4: op 11 oktober 2022 samen met een ander € 13.000,- heeft witgewassen.

3.De voorvragen

De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officieren van justitie zijn ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4.De beoordeling van het bewijs

4.1
Het standpunt van de officieren van justitie
Ten aanzien van feit 1:
De officieren van justitie achten wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met [medeverdachte 1] valsheid in geschrift heeft gepleegd door een valse arbeidsovereenkomst op te maken en te ondertekenen. Dit blijkt uit de administratie van [B.V.] , de getuigenverklaringen en twee OVC-gesprekken.
Ten aanzien van feit 2:
De officieren van justitie achten wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met [medeverdachte 1] een bedrag van € 9.600,- heeft witgewassen. Dit is gebeurd doordat verdachte aan [medeverdachte 1] een bedrag van € 9.600,- heeft betaald om vervolgens aan haar uit te betalen als loon overeenkomstig de onder feit 1 genoemde valse arbeidsovereenkomst. Dit blijkt uit de administratie van [B.V.] , het OVC-gesprek op 14 april 2021, de bevindingen op 15 april 2021 en de betalingen aan verdachte.
Ten aanzien van feit 3:
De officieren van justitie achten wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met [medeverdachte 2] een bedrag van € 12.905,- heeft witgewassen. Uit de bewijsmiddelen volgt immers dat zij allebei op de hoogte waren van de verhullende bewaarplaats van het geld. Er is niet gebleken dat het geld een legale herkomst had.
Ten aanzien van feit 4:
De officieren van justitie achten wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met [medeverdachte 2] een vuurwapen voorhanden heeft gehad. Dit volgt uit de verklaringen van [medeverdachte 2] en het feit dat verdachte zelf het vuurwapen heeft aangewezen.
4.2
Het standpunt van de verdediging
Ten aanzien van feit 1:
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een valse arbeidsovereenkomst. Verdachte heeft wel degelijk vanuit huis werkzaamheden verricht in het kader van de arbeidsovereenkomst en daar is zij ook voor betaald.
Ten aanzien van feit 2:
De verdediging verzoekt verdachte vrij te spreken, omdat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat verdachte geld aan [medeverdachte 1] heeft betaald. Voor de betalingen die verdachte van [medeverdachte 1] heeft ontvangen, heeft verdachte ook daadwerkelijk werkzaamheden verricht.
Ten aanzien van feit 3:
De verdediging verzoekt verdachte vrij te spreken omdat zij geen wetenschap had van de aanwezigheid van het vuurwapen en daarmee ook geen beschikkingsmacht over het wapen had.
Ten aanzien van feit 4:
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen, omdat niet vastgesteld kan worden dat het geldbedrag geen legale herkomst heeft. Zij heeft in een vroeg stadium verklaard dat het geld niet aan haar toebehoort. Het geldt behoort toe aan [medeverdachte 2] en is afkomstig uit legale bronnen.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
4.3.2
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
4.3.2.1
Feit 1: valsheid in geschrift
Feiten en omstandigheden
Uit de bewijsmiddelen volgt dat er op 14 april 2021 een gesprek heeft plaatsgevonden bij [B.V.] Aan dit gesprek namen [medeverdachte 3] , [verdachte] en [medeverdachte 1] deel. Er is gesproken over het feit dat [verdachte] voor zes maanden een baantje nodig had zodat zij een paar dingen op kon richten. Het geld zou [verdachte] dan zelf aan [medeverdachte 1] betalen met nog een beetje extra. [verdachte] heeft gevraagd de arbeidsovereenkomst in te laten gaan per 1 april 2021. Uiteindelijk is dit zogenaamde contract ook opgesteld, geprint en door [verdachte] en [medeverdachte 1] ondertekend. Er is afgesproken dat [verdachte] steeds € 4.800,- voor de 15e dag van iedere maand zal betalen, zodat de loonbetaling steeds met de reguliere run van de loonbetalingen meegenomen kon worden. [medeverdachte 1] moet dat bedrag dan ook de dag erna hebben.
De ondertekende arbeidsovereenkomst is aangetroffen bij de doorzoeking van [B.V.] Hieruit bleek dat de ingangsdatum van de overeenkomst niet 14 april 2021 is, maar 1 april 2021. Dit is conform de op 14 april 2021 gemaakte afspraak.
Vervolgens blijkt uit de bewijsmiddelen dat [verdachte] daadwerkelijk op 15 april 2021 (de dag van de loonbetalingen) terug is gekomen bij [B.V.]
Na de doorzoeking heeft de politie onderzoek gedaan in de telefoon van [medeverdachte 1] . Hieruit volgt dat er op 12 mei 2021 door [medeverdachte 1] nog is aangeboden om € 750,- loon meer te betalen. Dit zou € 1.780,- kosten. Uiteindelijk wordt besloten hiervan af te zien.
Uit de gegevens van het Belastingkantoor in Rotterdam blijkt dat [B.V.] een bedrag van € 5743,74 netto aan [verdachte] heeft betaald. Uit de bankgegevens blijkt dat [verdachte] dit bedrag heeft ontvangen in twee betalingen, namelijk op 15 april 2021 en op 14 mei 2021.
De politie heeft ook nader onderzocht of [verdachte] heeft gewerkt voor [B.V.] Hierbij is gebleken dat [verdachte] geen deel uitmaakte van de groepsapp van de medewerkers van [B.V.] Daarnaast zijn vier medewerkers van [B.V.] gehoord als getuigen. Drie van hen kennen [verdachte] helemaal niet. [getuige] kent [verdachte] wel, maar niet als collega. Zij kent [verdachte] als klant van [B.V.] voor wie zij werkzaamheden heeft verricht in het kader van een oude schuld.
Uit de verklaring van [medeverdachte 1] volgt dat de overeenkomst na twee maanden beëindigd is.
Beoordeling
De rechtbank stelt vast dat uit de bewijsmiddelen volgt dat [verdachte] en [medeverdachte 1] op 14 april 2021 samen een arbeidsovereenkomst hebben opgesteld en getekend. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het gesprek op 14 april 2021 ook dat zowel [verdachte] als [medeverdachte 1] wisten dat de overeenkomst die zij opmaakten vals was. Het was immers de bedoeling dat [verdachte] een baantje had, zodat zij een paar dingen (drie B.V.’s) op kon richten. Zij wilde niet in één keer alles vol gaan storten. Er is in het geheel niet gesproken over welke werkzaamheden zij voor [B.V.] zou verrichten. Daarbij komt dat is afgesproken dat [verdachte] [medeverdachte 1] zou betalen voor het loon dat zij zou ontvangen. Tot slot blijkt uit de opmerking van [verdachte] bij het tekenen van de arbeidsovereenkomst dat het gaat om een “zogenaamd contract”, dat [verdachte] en [medeverdachte 1] wisten dat zij een overeenkomst aangingen die in strijd was met de werkelijkheid. Deze overeenkomst heeft later de basis gevormd voor de loonbetalingen die door [B.V.] aan [verdachte] zijn gedaan gedurende de looptijd van de overeenkomst in april en mei 2021.
De rechtbank is van oordeel dat op basis van deze feiten en omstandigheden wettig en overtuigend bewezen is dat [verdachte] en [medeverdachte 1] nauw en bewust hebben samengewerkt en zich schuldig hebben gemaakt aan het medeplegen van valsheid in geschrift.
De verdediging heeft betoogd dat, in afwijking van wat er op 14 april 2021 werd besproken, later toch werkzaamheden door [verdachte] zijn verricht voor [B.V.] In de eerste plaats is de rechtbank van oordeel dat het feit dat er eventueel later andere afspraken zijn gemaakt, niet wegneemt dat [verdachte] en [medeverdachte 1] op 14 april 2021 een valse arbeidsovereenkomst hebben opgemaakt. De rechtbank stelt daarnaast vast dat buiten de verklaringen van [verdachte] en [medeverdachte 1] het dossier geen enkel aanknopingspunt geeft voor de bewering dat [verdachte] daadwerkelijk voor [B.V.] werkzaamheden heeft verricht. Hoewel er geruime tijd gesprekken in het kantoor zijn opgenomen, is daarin kennelijk niet te horen dat [verdachte] daadwerkelijk werkzaamheden heeft verricht. [verdachte] en [medeverdachte 1] hebben de stelling dat dit wel het geval zou zijn ook niet met stukken onderbouwd. Het dossier bevat wel meerdere bewijsmiddelen waaruit kan worden afgeleid dat [verdachte] niet voor [B.V.] heeft gewerkt. Deze bewijsmiddelen ondersteunen elkaar. Dat [verdachte] en [medeverdachte 1] in hun politieverhoor nagenoeg tegelijk verklaren dat [verdachte] wel werkzaamheden heeft verricht zegt niet zo veel. Zij hebben na de inbeslagname van de valse arbeidsovereenkomst en de verhoren van de medewerkers daarover, ruimschoots de tijd gehad hun verklaringen op elkaar af te stemmen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de verklaring dat [verdachte] wel werkzaamheden heeft verricht ongeloofwaardig is. Zij verwerpt het verweer van de verdediging.
Conclusie
Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van valsheid in geschrift.
4.3.2.2
Feit 2: witwassen € 9.600,-
Feiten en omstandigheden
De rechtbank verwijst hiervoor naar de feiten en omstandigheden als genoemd onder 4.3.2.1.
Toetsingskader
Verdachte wordt het witwassen verweten. Van witwassen is kort gezegd sprake wanneer iemand geld of goederen uit criminele feiten voorhanden heeft of bijvoorbeeld heeft uitgegeven of verstopt. Hierbij hoeft niet duidelijk te zijn met welk strafbaar feit dat geld of die goederen zijn verdiend. Voor de beoordeling van de zaken zonder bekend gronddelict heeft het Gerechtshof Amsterdam in de uitspraak met kenmerk ECLI:NL:GHAMS:2013:BY8481 een toetsingskader gegeven met daarin zes stappen.
Beoordeling
De rechtbank stelt vast dat uit het OVC-gesprek op 14 april 2021 volgt dat verdachte steeds € 4.800,- voor de 15e dag van iedere maand moest betalen, zodat de betaling vanuit [B.V.] meegenomen kon worden met de reguliere loonbetalingen. De rechtbank stelt vast dat het OVC-gesprek van 14 april 2021 over het betalen van het geld wordt ondersteund door het OVC-gesprek op 15 april 2021 en de overboekingen door [B.V.] op 15 april 2021 en 14 mei 2021. Zoals onder 4.3.2.1 is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat verdachte geen werkzaamheden voor [B.V.] heeft verricht en dat de betalingen door [medeverdachte 1] niet aan te merken zijn als reguliere loonbetalingen. Bovendien leidt de rechtbank uit de op 14 april 2021 gemaakte afspraken, de omstandigheid dat [verdachte] vervolgens op 15 april 2021 weer bij [B.V.] langs gaat en de omstandigheid dat verdachte vervolgens daadwerkelijk ‘salaris’ aan [verdachte] heeft overgemaakt af dat het niet anders kan zijn dan dat [verdachte] het afgesproken bedrag (contant) aan verdachte heeft betaald. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de verdediging en gaat ervan uit dat verdachte in totaal € 9.600,- aan [medeverdachte 1] heeft betaald, waarmee hij vervolgens een betaling aan verdachte heeft gedaan.
De rechtbank stelt vast dat in deze zaak niet is gebleken dat het bedrag van € 9.600,- is verkregen uit een specifiek strafbaar feit. Om die reden beoordeelt zij de feiten en omstandigheden aan de hand van het toetsingskader dat hiervoor is genoemd.
Uit de feiten en omstandigheden blijkt dat het geldbedrag van € 9.600,- door verdachte contant aan [medeverdachte 1] is betaald, zodat [medeverdachte 1] haar het geld door middel van een constructie met een valse arbeidsovereenkomst weer giraal terug kon betalen. De rechtbank kan geen enkele reden bedenken waarom er op deze manier gehandeld zou worden als er sprake was van een legaal verkregen geldbedrag. Het enige resultaat is namelijk dat het te ontvangen bedrag lager is omdat er inkomstenbelasting betaald moet worden. Uit het OVC-gesprek volgt echter dat verdachte geld nodig had om iets op te richten. Hoewel zij beschikte over contant geld kon zij dat geld niet direct gebruiken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat deze feiten en omstandigheden van zodanige aard zijn, dat er sprake is van een vermoeden van witwassen.
Hoewel verdachte hiertoe in de gelegenheid is gesteld, heeft zij geen verklaring gegeven over de herkomst van het geldbedrag. Doordat door het uitblijven van een concrete en verifieerbare verklaring er geen onderzoek kan worden gedaan naar de herkomst van het geld, kan de rechtbank niet vaststellen dat het geldbedrag een legale herkomst heeft. Om die reden is de enige verklaring dat het geldbedrag een criminele herkomst heeft. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er sprake is van witwassen.
De rechtbank is van oordeel dat er ook sprake is van medeplegen. Verdachte heeft nauw en bewust samengewerkt met [medeverdachte 1] om via een constructie met een valse arbeidsovereenkomst contant geld dat niet gebruikt kon worden, om te zetten in girale gelden die zij wel kon gebruiken. De rechtbank stelt vast dat zowel verdachte als [medeverdachte 1] een bijdrage van voldoende gewicht hebben geleverd aan dit witwassen.
Conclusie
Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van witwassen van een bedrag van € 9.600,-.
4.3.2.3
Feit 3: voorhanden hebben vuurwapen
Feiten en omstandigheden
Uit de bewijsmiddelen volgt dat er op 11 oktober 2022 een doorzoeking heeft plaatsgevonden in de woning van verdachte en [medeverdachte 2] . De verbalisanten hebben tijdens de doorzoeking gevraagd of er zich in de woning wapens bevonden. [medeverdachte 2] heeft dit bevestigd, maar kon zelf het vuurwapen niet aanwijzen. Uit de bevindingen van de verbalisanten blijkt dat [medeverdachte 2] vervolgens tegen verdachte heeft gezegd dat hij het wapen niet kon vinden. Hierop is door verdachte geantwoord dat het wapen in de kast lag. Zij wees hierbij naar een inloopkast en meldde dat de doos met het vuurwapen in de hoek lag. Op die plaats hebben de verbalisanten vervolgens ook een wapen aangetroffen. Dit wapen is onderzocht. Het bleek te gaan om een Glock model 17 kaliber 9 mm. Dit is een vuurwapen van categorie III.
BeoordelingDe verdediging heeft de gang van zaken tijdens de doorzoeking betwist en heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte niet op de hoogte was van de aanwezigheid van het vuurwapen in de woning. Verdachte zou gevraagd zijn naar een doos en heeft slechts gemeld waar deze doos zich bevond zonder bekend te zijn met de inhoud van de doos.
De rechtbank stelt vast dat de verklaring van verdachte niet aansluit bij de bevindingen van de verbalisanten ten tijde van de doorzoeking. Deze bevindingen zijn weergegeven in een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van bevindingen. De rechtbank ziet geen enkele reden om te twijfelen aan dit proces-verbaal van bevindingen. Zij stelt dan ook vast dat verdachte nadat haar is gevraagd naar de locatie van het vuurwapen, zelf de doos met het vuurwapen heeft aangewezen in de kast die verder gevuld was met dameskleding. Op basis van deze bevindingen is de rechtbank van oordeel dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van het vuurwapen en ook de beschikkingsmacht over het vuurwapen had.
Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van medeplegen. Uit de verklaring van [medeverdachte 2] volgt dat ook hij wetenschap had van de aanwezigheid van het vuurwapen en ook de beschikkingsmacht over het vuurwapen had. De rechtbank is van oordeel dat hieruit voldoende blijkt dat verdachten in vereniging het vuurwapen voorhanden hebben gehad.
ConclusieAlles overwegende is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen van categorie III.
4.3.2.4
Feit 4: witwassen ongeveer € 13.000,-
Feiten en omstandigheden
Uit de bewijsmiddelen volgt dat bij de doorzoeking op 11 oktober 2022 in de woning van verdachte en [medeverdachte 2] ook een bedrag van € 12.905,- is aangetroffen. Dit geldbedrag lag in een doosje in een kast op de zolder. Deze zolder was ingericht als kantoorruimte. Bij de aangetroffen biljetten bevonden zich ook 9 biljetten van € 100,-.
Er is onderzoek gedaan naar de financiële situatie van verdachte en [medeverdachte 2] . Hieruit volgt kort gezegd dat zowel verdachte als [medeverdachte 2] in de periode van 2018 tot en met 2022 nauwelijks legale inkomsten hadden.
Verdachte heeft in zijn verhoor bij de politie verklaard dat het geld spaargeld was. Het was afkomstig uit inkomsten uit de periode dat hij als marktkoopman werkte. Verdachte heeft tijdens haar verhoor bij de politie gezwegen over de herkomst van het geld. Zij heeft zich later aangesloten bij de verklaring van [medeverdachte 2] .
Beoordeling
De rechtbank stelt vast dat in deze zaak niet is gebleken dat het aangetroffen geldbedrag is verkregen uit een specifiek strafbaar feit. Om die reden beoordeelt zij de feiten en omstandigheden aan de hand van het toetsingskader dat onder 4.3.2.2 is genoemd.
Uit de feiten en omstandigheden blijkt dat in de woning van verdachte en [medeverdachte 2]
€ 12.905,- contant geld aanwezig was. Dit geld zat niet in een portemonnee of spaarpot, maar in een doosje op zolder. Bij dit bedrag waren ook biljetten van € 100,- aanwezig, terwijl dergelijke biljetten niet meer kunnen worden gepind. Daarnaast is uit onderzoek naar de financiën van verdachte en [medeverdachte 2] niet gebleken dat zij in de jaren voor het aantreffen van het geldbedrag beschikten over inkomsten die dergelijk geldbedrag kunnen verklaren. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat niet is gebleken dat er een contant geldbedrag als stakingswinst is opgegeven toen [medeverdachte 2] in 2017 zijn werkzaamheden als marktkoopman beëindigde. De rechtbank is van oordeel dat deze feiten en omstandigheden van zodanige aard zijn, dat er sprake is van een vermoeden van witwassen.
[medeverdachte 2] heeft verklaard dat het geld afkomstig was van zijn werkzaamheden op de markt. Hij verkocht stoffen. Verdachte heeft zich, nadat zij eerder gezwegen had, bij deze verklaring aangesloten. De verdediging heeft opgemerkt dat het betalen in contanten gebruikelijk was op de markt. De rechtbank is van oordeel dat deze verklaring niet concreet of verifieerbaar is. De enkele stelling dat het geldbedrag op de markt is verdiend, biedt onvoldoende aanknopingspunten voor de officieren van justitie om nader onderzoek te doen. Ter zitting is de verklaring van verdachte en [medeverdachte 2] aangevuld met een belastingaangifte over 2020 en 2021. Een enkele belastingaangifte, zeker een aangifte jaren na het staken van een onderneming - en overigens ook na het aantreffen door de politie van het geld -, vormt onvoldoende (objectieve) bevestiging van de gestelde herkomst van het contante geldbedrag. Door het ontbreken van onderliggende stukken en de aangiftes van 2018 en 2019, zijn ook deze stukken onvoldoende concreet en verifieerbaar. Om deze reden is er geen sprake van een verklaring waarnaar door het Openbaar Ministerie onderzoek moet worden gedaan.
Doordat er geen onderzoek kan worden gedaan naar de herkomst van het geld door het uitblijven van een concrete en verifieerbare verklaring van verdachte, kan de rechtbank niet vaststellen dat het geldbedrag een legale herkomst heeft. Om die reden kan de enige verklaring zijn dat het geldbedrag een criminele herkomst heeft. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er sprake is van witwassen.
De rechtbank is van oordeel dat er ook sprake is van medeplegen van het witwassen. Het geldbedrag is immers aangetroffen in de gezamenlijke woning van verdachte en [medeverdachte 2] . Het lag op een plaats in het kantoor van verdachte waar iedereen in de woning van kon weten. Uit de verklaring van [medeverdachte 2] blijkt ook dat hij op de hoogte was van de aanwezigheid van het geldbedrag. Ook verdachte was bekend met het geldbedrag. De rechtbank is van oordeel dat hieruit volgt dat beide verdachten het geldbedrag in een nauwe en bewuste samenwerking hebben witgewassen. Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat verdachte en medeverdachte ook beide beschikkingsmacht over het geldbedrag hadden.
Conclusie
Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van witwassen. Het gaat hierbij specifiek om een bedrag van € 12.905,-.
4.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1
op 14 april 2021 te [plaats 1] , tezamen en in vereniging met een ander,
een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een
arbeidsovereenkomst, valselijk heeft opgemaakt, door opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid:
een arbeidsovereenkomst op naam van [verdachte] en [B.V.]
, op te maken en genoemde arbeidsovereenkomst
te ondertekenen ter bevestiging van de juistheid van het daarin gestelde,
terwijl zij, verdachte, niet in dienst was bij en geen werkzaamheden verrichtte
voor [B.V.] ,
zulks met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken en/of door
anderen te doen gebruiken;
2
in de periode van 30 maart 2021 tot en met 21 mei 2021, in Nederland, tezamen
en in vereniging met een ander, (van) een geldbedrag van € 9600,- ,
- de herkomst heeft verhuld,
en
- voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen en heeft omgezet,
immers heeft verdachte (een) (contante) geldbedrag(en) overgedragen aan [medeverdachte 1]
, welk(e) geldbedrag(en) [medeverdachte 1] , vervolgens deels als salaris/loonbetalingen heeft betaald aan [verdachte] voornoemd en deels heeft afgedragen aan de belastingdienst in het kader van loon- en/of premieheffing,
terwijl zij, verdachte, en haar mededader wisten, dat dit/die geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;
3
op 11 oktober 2022 te [plaats 2] , tezamen en in vereniging met een ander, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk Glock, model 17, kaliber 9mm zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool voorhanden heeft gehad;
4
op 11 oktober 2022 te [plaats 2] , tezamen en in vereniging met een ander, een geldbedrag van ongeveer € 12.905,-, voorhanden heeft gehad terwijl zij, verdachte, wist, dat dit geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5.De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6.De strafoplegging

6.1
De vordering van de officieren van justitie
De officieren van justitie vorderen aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat bij een veroordeling kan worden volstaan met het opleggen van een taakstraf.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte wordt veroordeeld voor het medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen. Hoewel het voorhanden hebben van munitie niet ten laste is gelegd, stelt de rechtbank vast dat het vuurwapen een patroonmagazijn bevatte waarin 11 kogels aanwezig waren. Het vuurwapen was ook klaar om te gebruiken. Hiermee hebben verdachte en haar medeverdachte dan ook een potentieel dodelijk wapen tot hun beschikking gehad. Vanwege het gevaar dat daarvan uitgaat en het leed dat met een dergelijk vuurwapen veroorzaakt kan worden, wordt het voorhanden hebben van een vuurwapen gezien als een ernstig strafbaar feit.
Daarnaast wordt verdachte veroordeeld voor het medeplegen van het witwassen van
€ 12.905,- en € 9.600,- en het plegen van valsheid in geschrift om het witwassen van de
€ 9.600,- mogelijk te maken. Het witwassen van gelden en goederen vormt een ernstige bedreiging voor de legale economie. Met het witgewassen geld wordt bovendien vaak ander strafbaar handelen gefaciliteerd. Daarnaast worden door witwassen vaak onderliggende strafbare feiten dan wel illegale handel afgedekt en wordt de mogelijkheid gecreëerd van een geldelijke beloning voor strafbare gedragingen.
Bij de bepaling van de strafmaat houdt de rechtbank rekening met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht ten aanzien van wapens en fraude. Bij het voorhanden hebben van een vuurwapen noemen de oriëntatiepunten een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, waarbij de omstandigheid dat het wapen geladen was, nog strafverhogend weegt. Bij een fraudezaak ten aanzien van een bedrag van € 22.505,- is een gevangenisstraf voor de duur van 2 tot 5 maanden het uitgangspunt. De rechtbank houdt ook rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd voor het plegen van valsheid in geschrift.
Verdachte heeft twee van de vier feiten samen gepleegd met [medeverdachte 2] . In die zaak heeft de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden opgelegd. De zaak van verdachte verschilt in die zin dat zij niet eerder is veroordeeld, maar anderzijds twee strafbare feiten meer heeft gepleegd. De rechtbank houdt er ook rekening mee dat er sprake is van meerdaadse samenloop van de verschillende feiten en dat er sprake is van samenhang tussen de valsheid in geschrift en het witwassen van de € 9.600,-.
De verdediging heeft verzocht om te volstaan met het opleggen van een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf gelet op de prangende persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank ziet echter geen reden om in het voordeel van verdachte af te wijken van de oriëntatiepunten. Gelet op de ernst van de vier bewezen feiten en de combinatie daarvan, is er naar het oordeel van de rechtbank geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
Alles overwegende legt de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van 8 maanden. De rechtbank bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.
De rechtbank zal de vordering van de officieren van justitie om de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen afwijzen nu haar dit gezien de omstandigheden van dit geval niet opportuun voorkomt.

7.Het beslag

7.1
De verbeurdverklaring
Het hierna in de beslissing genoemde inbeslaggenomen voorwerp, te weten een geldbedrag ter hoogte van € 12.905,-, is vatbaar voor verbeurdverklaring.
De rechtbank stelt vast dat het geldbedrag in beslag is genomen in de woning van verdachte en [medeverdachte 2] . Hierbij is verdachte als beslagene aangemerkt. Hoewel [medeverdachte 2] stelt de eigenaar te zijn van het inbeslaggenomen geldbedrag, is dit naar het oordeel van de rechtbank op basis van het dossier onvoldoende komen vast te staan. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de beslagene als redelijkerwijs rechthebbende op het geldbedrag moet worden aangemerkt en dat zij de beschikkingsmacht over het geldbedrag had.
Voorts stelt de rechtbank vast dat de officieren van justitie zich op het standpunt hebben gesteld dat er uitsluitend nog conservatoir beslag op het geldbedrag ligt. Naar het oordeel van de rechtbank staat het conservatoire beslag niet in de weg aan het toepassen van de maatregel tot verbeurdverklaring van ditzelfde geldbedrag.
Uit hetgeen de rechtbank eerder heeft overwogen ten aanzien van de bewezenverklaring volgt dat het strafbare feit als genoemd onder feit 4 is begaan met betrekking tot voornoemd geldbedrag. Het geldbedrag is immers door verdachte en medeverdachte witgewassen.
Alles overwegende zal de rechtbank het geldbedrag van € 12.905,- in onderhavige zaak verbeurd verklaren.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 47, 57, 225 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9.De beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
Feit 1:medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als
bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware
het echt en onvervalst;
Feit 2:medeplegen van witwassen;
Feit 3:medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet
wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van
categorie III;
Feit 4:medeplegen van witwassen;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot
een gevangenisstraf van 8 maanden;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Beslag
- verklaart verbeurd het inbeslaggenomen voorwerp, te weten een geldbedrag van
€ 12.905,-;
Voorlopige hechtenis- wijst het verzoek tot opheffing van de schorsing af.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.M.J. Kok, voorzitter, mr. M.H.M. Collombon en
mr. A.L. Hoekstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. van Eekelen en
mr. C.J.M. van de Vrede, griffiers, en is uitgesproken ter openbare zitting op 5 maart 2024.