Op 6 juni 2022 mishandelde verdachte het slachtoffer, waarbij deze meerdere fracturen aan het gezicht, een geperforeerd trommelvlies en een hersenschudding opliep. De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het slachtoffer meermalen tegen het hoofd heeft geslagen, met voorwaardelijk opzet op zwaar lichamelijk letsel.
De bewijsvoering bestond uit verklaringen van het slachtoffer en een getuige, medische informatie, foto’s van het letsel en de herkenning van verdachte als vaste dealer. De verdediging voerde aan dat de herkenning onbetrouwbaar was en dat het letsel niet als zwaar kon worden gekwalificeerd, maar deze verweren werden door de rechtbank verworpen.
De rechtbank legde een gevangenisstraf van negen maanden op, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, mede vanwege het strafblad van verdachte en het recidiverisico. Daarnaast werd verdachte veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van €5.119,25 aan het slachtoffer, vermeerderd met wettelijke rente, en werd een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
De rechtbank concludeerde dat verdachte strafbaar is en geen omstandigheden zijn gebleken die strafuitsluiting rechtvaardigen. Het vonnis werd uitgesproken door drie rechters op 23 februari 2024.