Uitspraak
1.De procedure
- de brief van mr. Van Wezel van 16 januari 2024, waarin staat dat partijen geen schikking hebben bereikt.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De Stichting Woonwagenbeheer Zuid-West Nederland vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woonwagenstandplaats, stellende dat de huurder niet haar hoofdverblijf in het gehuurde heeft. De huurder betwist dit en voert aan dat zij wel degelijk haar hoofdverblijf in de woonwagen heeft, onderbouwd met bewijsstukken zoals verbruiksgegevens van elektra, gas en water.
De Stichting baseert haar vordering op een onderzoek van een recherchebureau dat concludeerde dat de huurder feitelijk elders woont. De huurder heeft dit onderzoek gemotiveerd weersproken door aan te tonen dat zij regelmatig in het gehuurde verblijft en dat haar afwezigheid te verklaren is door zorgtaken elders.
De rechtbank oordeelt dat de bewijslast voor het ontbreken van het hoofdverblijf bij de verhuurder ligt en dat de huurder voldoende feiten heeft aangevoerd om de stellingen te betwisten. Het onderzoek en de aanvullende stukken van de Stichting zijn onvoldoende om het ontbreken van het hoofdverblijf vast te stellen.
Daarom worden de vorderingen van de Stichting afgewezen en wordt zij veroordeeld in de proceskosten. De huurder behoudt daarmee het recht op gebruik van de woonwagenstandplaats.
Uitkomst: De vorderingen tot ontbinding en ontruiming worden afgewezen wegens onvoldoende bewijs van het ontbreken van het hoofdverblijf.