Uitspraak
1.[eiser 1] ,
[eiser 2] BV,
[eiser 3] ,
[eiser 4] ,
1.Inleiding
2.De procedure
3.De feiten
4.Het geschil
hunrecht om [gedaagde] aan te spreken verwerkt door vijftien jaar niets van zich te laten horen, terwijl [gedaagde] in 2011 is gedefungeerd, percelen zijn (door)verkocht, in de media berichten over grondspeculatie zijn verschenen en verkopers (met uitzondering van [naam 2] ) niet zijn aangesproken. Daardoor is het vertrouwen gewekt dat er geen bezwaren waren tegen de werkzaamheden van [gedaagde] in 2006-2008.
5.De beoordeling
"overeenkomst van lastgeving"overgelegd. Daarin geven [bedrijf 5] B.V. respectievelijk [bedrijf 6] B.V. een last aan [eiser 3] respectievelijk aan [eiser 3] om in het belang van de vennootschappen, in eigen naam onder meer
"alle schade in verband met de aanschaf van de percelen speculatieve landbouwgrond te verhalen op de notaris die betrokken was bij de levering van deze percelen".[eiser 3] en [eiser 3] menen dat hun schade hooguit gedeeltelijk en tijdelijk verplaatst is en stellen dat genoemde vennootschappen hen aansprakelijk houden voor deze schade.
"dat de notaris het niet goed heeft gedaan en een verzekering heeft".[eiser 3] is niet op de mondelinge behandeling verschenen, maar mr. Van Mieghem heeft verklaard dat [eiser 3] zich in 2021 bij hem meldde en dat hij kort daarvoor, naar aanleiding van publicaties, bekend is geworden met zijn schade. De zoon van [eiser 1] , die tijdens de mondelinge behandeling zowel haar als [eiser 2] B.V. vertegenwoordigde, heeft verklaard dat hij ná het overlijden van zijn vader in 2017 met [eiser 3] en [eiser 3] in contact is gekomen. Op enig moment daarna las de zoon een artikel van de advocaat van eisers over, naar de rechtbank begrijpt, de rol van de notaris bij grondhandel.
"dat een notaris het niet goed heeft gedaan en een verzekering heeft"maar dat is bij gebreke van bekendheid met de exacte inhoud van de mededeling en bekendheid met de kennis en kunde van de stichting en/of degene die de mededeling heeft gedaan, nog niet voldoende om tot de slotsom te komen dat [eiser 3] bekend was met de schade en [gedaagde] als aansprakelijke persoon. De in dat kader door [gedaagde] aangevoerde omstandigheden, zoals de berichtgeving in de media, de doorverkoop van percelen, de prijzen die daarbij werden betaald en de ondernemerservaring, maken dit niet anders. De rechtbank passeert daarom het beroep op verjaring.